Hechtingsstijlen bij de volwassene[1]
  1. Hechtingstheorie en therapie
De hechtingstheorie beweert, dat een sterke emotionele en fysieke band met een primaire verzorger in onze eerste levensjaren, van cruciaal belang is voor onze ontwikkeling. Als onze binding sterk is en we veilig zijn gehecht, dan voelen we ons veilig om de wereld te verkennen. We weten dat er altijd die veilige basis is, waar we op elk moment op terug kunnen komen. Als onze band zwak is, voelen we ons onzeker gehecht. We zijn bang om de eng uitziende wereld te verkennen, omdat we niet zeker weten of we kunnen terugkeren.
Mensen die veilig gehecht zijn, zouden meer vertrouwen hebben in het verbinding maken met anderen en als gevolg daarvan succesvoller zijn in het leven.
Onveilig gehechte mensen neigen ertoe anderen te wantrouwen, hebben gebrek aan sociale vaardigheden en hebben problemen om relaties te vormen.
Er is één type veilige hechting (b)en er zijn drie soorten onveilige hechting:
  • angstig-ambivalent (c)
  • angstig -vermijdend (a)
  • angstig- ongeorganiseerd (d)
 
In reacties op stress, reageren a, b en c georganiseerd. Ze hebben een plan van aanpak.
 
Om de theorie wat praktischer te maken, introduceer ik graag de familie Klaassen. Meneer en mevrouw Klaassen hebben vier kinderen: Anja, Bea, Cornelis en Dina. De beide ouders zijn aardige mensen, die vaak knuffelen, oogcontact maken en de kinderen warm toespreken. Ze zijn echte Voedende Ouders. Ze zijn er altijd voor de kinderen.
Maar op een zekere dag wordt meneer Klaassen erg ziek en sterft.
Voor mevrouw Klaassen wordt het leven nu erg moeilijk. Om het hoofd boven water te houden, werkt ze de gehele dag, terwijl ze tegelijkertijd probeert voor haar kinderen te zorgen. Dit is echt een onmogelijke taak.
Op 6 jarige leeftijd zijn de hersenen van Bea nagenoeg ontwikkeld, haar karakter is sterk en haar wereldbeeld is grotendeels gevormd. De nieuwe situatie heeft weinig invloed op haar, zij weet en voelt dat er nog altijd de moeder is, waar zij in geval van nood een beroep op kan doen. Haar moeder is de veilige haven en de veilige uitvalsbasis. Zij voelt zich veilig gehecht. Ik ben oké, de ander is oké, is hetgeen zij geleerd heeft in haar leven tot nu toe. Later verandert hij in een vertrouwende en optimistische jonge vrouw. Haar zelfbeeld is positief.
Haar jongere broer, Cornelis, die drie jaar is, heeft een probleem met het omgaan met het niet altijd aanwezig zijn van de moeder. Hij leidt onder het gebrek aan aandacht. Voor Cornelis handelt zijn moeder nu onvoorspelbaar. Hij maakt zich zorgen over de relatie die hij heeft met zijn moeder, en als gevolg daarvan wordt hij aanhankelijk. Hij claimt als het ware de liefde van de moeder. Om de aandacht van de moeder te krijgen moet hij zijn emoties uitvergroten en het uitschreeuwen. In feite laat hij dan zijn woede zien over het niet beschikbaar zijn van de moeder. Wanneer dan de moeder eindelijk reageert met een voorspelbare reactie, handelt de moeder zelf ambivalent. Ze wil er wel zijn voor Cornelis, echter heeft het ook nog heel druk met haar werk. Door die aandacht te geven zal ze de prijs later moeten betalen om haar werk af te kunnen maken. De moeder toont op dat moment niet haar ware gevoelens. Later in het leven van Cornelis, denken anderen dat hij onvoorspelbaar is of humeurig. Zijn zelfbeeld is minder positief als die van zijn zus. Ik ben niet oké, de andere is wel oké, is een houding die bij Cornelis hoort. Zijn gehechtheidsstijl noemen we angstig-ambivalent.
De tweejarige Anja, brengt haar dagen door bij haar oom. Deze oom geeft veel om Anja, maar denkt dat een goede opvoeding betekend, dat hij strikt moet zijn. Rust, Reinheid en Regelmaat staan hoog in het vaandel van de oom. Als kleine Anja teveel emoties vertoont of te luid is, wordt haar oom boos of en bestraft haar zelfs. Dit maakt Anja bang. Zij leert dat om de angst te voorkomen, zij moet vermijden haar gevoelens/emoties te tonen. Niet alleen bij haar oom, maar ook in andere situaties. Als volwassene zet zij deze strategie voort en heeft problemen om relaties aan te gaan. Zijn beeld van zichzelf is nogal negatief. Zijn hechtingsstijl is: angstig-vermijdend. Ik ben oké, echter de andere is niet oké komt dan vaak naar voren.
tenslotte is er Dina, die één jaar oud is. Ze kan niet thuis blijven en wordt naar een crèche gestuurd. Het personeel daar is slecht opgeleid, overwerkt en vaak erg gestresseerd. Ze gaan hard en liefdeloos met de kinderen om. Er is zelfs sprake van misbruik.  Kleine Dina wordt daarom bang. Ze wordt bang voor dezelfde mensen waar ze veiligheid bij zoekt. Dit zorgt voor een conflict dat haar ideeën over liefde en veiligheid volledig op de kop zet. Doordat ze angst ervaart zonder oplossing, probeert ze alle sociale situaties te vermijden. Als volwassene denkt ze dat ze geen liefde waard is. Ik ben niet oké, en de andere is ook niet oké, wordt haar credo. Haar zelfbeeld is dan ook erg negatief. Haar hechtingsstijl is angstig-ongeorganiseerd.
We zien hier, dat onze gehechtheid in de allereerste jaren van ons leven gevormd wordt. In de tijd dat we nog geen taal beheersten en alles via het gevoel liep. Dit is een tijd waarin we te jong zijn om over onze angsten te communiceren. Het gevolg hiervan is dat we een hoge mate van stress ervaren. Dit heeft fysieke gevolgen. Onze bijnieren maken cortisol en adrenaline aan, stresshormonen. Tevens verhoogd het hartritme, de bloeddruk stijgt en we worden alerter. We gaan naar de oranje laag (zie TraumaHeling) . Als ons lichaam zo reageert op de toestand waarin we zitten, dan wordt dit “toxische stress” genoemd. Het heet “toxisch”, omdat het de ontwikkeling van de hersenen vaan een kind belemmert. (Lancet: grootte hersenen van kinderen die geboren worden zijn kleiner bij kinderen waarvan de moeder het kind afwijst of niet weet dat ze zwanger is, dan bij kinderen wiens moeder het kind blij verwacht). Tevens zien we dat dan het immuunsysteem verzwakt is.
Bij embryo’s of wanneer er op zeer jonge leeftijd al stress wordt ervaren, kan toxische stress zelfs de expressie van genen veranderen, wat onze fysieke gezondheid vele decennia later kan beïnvloeden.
Mary Ainsworth onderzocht de hechtingsstijlen bij kinderen en ontwikkelde de Stange Situation test.  Door deze test, kan men er achter komen welke de hechtingsstijl is bij een jong kind. Dit gaat al vanaf de leeftijd van één jaar. Om dit te doen, laten ze het kind met hun moeder een paar minuten in een kamer spelen. Vervolgens wordt het kind alleen gelaten met een vreemde en verlaat de moeder de kamer. Na 2 minuten keert de moeder terug. Het belangrijkste moment is de reactie van het kind, wanneer de moeder terugkeert. Veilig gehechte kinderen (b) knuffelen meestal eerst hun moeder, kalmeren dan en gaan uiteindelijk weer spelen.
Onveilig gehechte kinderen tonen ambivalent en ontwijkend gedrag. Soms kunnen kinderen niet stoppen met huilen of weigeren verder te spelen.
De langetermijneffecten van onze gehechtheid in de beginjaren zijn goed gedocumenteerd. Met behulp van de hechtingstheorie, waren onderzoekers van de Minnesota University in staat al op 3-jarige leeftijd te voorspellen, met 77% nauwkeurigheid, of een kind van de middelbare school zou afhaken of niet.
In een andere studie werd er aan studenten aan de Harvard University, gevraagd om te beoordelen hoe dicht ze zich bij hun ouders voelden staan. 35 jaar later werd er gevraagd naar hun gezondheid. 91% van degenen die zeiden dat ze een nogal gebroken relatie met hun moeder hadden, hadden last van hun gezondheid, waaronder hartziektes, hypertensie en alcoholisme. Voor degenen die een warme relatie hadden gemeld, was het cijfer van slechte gezondheidsdiagnose slechts 45%.
Er is nog een reden, waarom de vroege jaren speciale aandacht verdienen. Ze zijn de startplaats van de volgende gedragingen:
  • een kind dat zich veilig voelt op de leeftijd van 2 jaar, kan vrienden maken op de kleuterschool. Hun wereldbeeld wordt versterkt met elke interactie en ze ontwikkelen optimisme. Als gevolg hiervan maken ze goede relaties op de lagere school, middelbare school en uiteindelijk op hun werkplek.
  • zeer onveilige gehechte kinderen missen deze kansen.
 
Psycholoog John Bowlby, een pionier in de gehechtheidstheorie, zou naar verluidt hebben gezegd: “Wat niet aan de moeder kan worden meegedeeld, kan niet aan het zelf worden gecommuniceerd”. Met andere woorden: degenen die zich onveilig gehecht voelen, begrijpen zichzelf misschien niet helemaal.  Om te weten wie ze zijn en wat ze voelen, moeten ze misschien ver terug in de tijd gaan.
In die tijd was er nog geen taal. We hadden geen woorden. Praten over het probleem van hechting heeft m.i. dan ook weinig zin. Ervaren en voelen, dat kan een mens op weg helpen. Overtuigingen kunnen veranderd worden en ervaringen in het lichaam bijgestuurd. Een van de mogelijkheden die toegepast kunnen worden om de onveilige hechtingsstijl bij volwassenen en de gevolgen hiervan aan te pakken is Adult Attachment Therapy. “Geef aan de volwassene datgene wat hij/zij als baby heeft gemist”, is een vast onderdeel van onze therapievorm. Dan ervaren de mensen andere zaken in hun lijf en zullen de overtuigingen die op het oude patroon geënt waren kunnen veranderen.
Onze hersenen zijn dynamisch, laten we keuzes inbrengen, opdat de Volwassene kan kiezen welke weg hij/zij wil bewandelen.
  1. Rol van de ouders
 
De mens is een sociaal wezen. We leven in kuddes. En jaren geleden hing ons voortbestaan er vanaf, of we in een groep konden functioneren of niet. De mate waarin we relaties konden vormen, zorgde of we konden overleven of niet. Ook in het hier en nu, zijn sterke gezonde relaties nog steeds belangrijk voor onze veiligheid en comfort.
Vooral in de kinderjaren is dit van groot belang. En hoe je dat daar ervaart, zal invloed hebben op de rest van ons leven, zoals hierboven in punt 1. duidelijk is gemaakt.
Bowlby: Voordat je een goede hechting aan kan gaan als baby, zit je eerst in een pre-attachment fase. Hij dacht dat kinderen die zo jong waren, hun ouders niet zouden herkennen.
Nu weten we dat dit niet correct is. Kinderen ervaren meteen wie de ouder is en wie niet. Tot hun zesde maand, weten de baby’s wie hun ouders zijn, maar vinden het ook oké om bij vreemden te zijn.
Rondom hun zesde maand, ontwikkelen de kinderen een angst van afscheiding. Ze huilen en protesteren, als ze gescheiden worden van hun ouders.
Rond het tweede levensjaar, beginnen de kinderen te begrijpen dat de ouders hun eigen patroon van leven hebben en dat ze wel terug keren. De angst voor afscheiding neemt dan ook af.
Het is dus van groot belang in te zien, dat kinderen tussen ½ en 2 jaar hun ouders nodig hebben. Wegbrengen naar kinderopvang, de opa of oma, of crèches, is dus niet zo’n goede zaak, als je het hebt over de hechtingsstijl van de kinderen.  
Nu lijkt dit alles behoorlijk theoretisch, echter in meer dan 600 studies van een cohort van 1000 families, is aangetoond in de jaren 90 tot 2000, dat als de kinderen niet veilig gehecht zijn opgevoed, dat ze een gedragsstoornis ontwikkelen als: pestgedrag, vandalisme, angstsymptomen en zich sociaal terugtrekken.
Welke hechtingsstijl je hebt, kan een academische vraag zijn. Het antwoord is niet zo belangrijk. Immers, welke hechtingsstijl je hebt is ook van meerdere factoren afhankelijk. Toch kan je een grote schifting maken door bij jezelf na te gaan: “Hoe graag en hoe dicht ben ik in de buurt van iemand”, “Hoe graag wil ik aangeraakt, geknuffeld worden”. “Hoe groot is mijn huidhonger als ik nu, bijvoorbeeld in de tijd van corona, gedwongen wordt alleen op mijn kot te blijven”.  Is het zo, dat je huidhonger hebt, graag aangeraakt wordt en dit nu mist, is de waarschijnlijkheid groot dat je een vorm van angstig-ambivalente hechtingsstijl hebt. Ben je daarentegen best wel blij, dat je alleen kan zijn, en nu eindelijk dat boek op je kamer uit kan lezen, dan is de kans aanwezig dat je tot de angstig-vermijdende hechtingsstijl behoort.
  1. Het vóórkomen en de importantie hier wat aan te doen
Grofweg zijn 55% van de Belgen en Nederlanders veilig gehecht. Dat houdt dus in dat 45% onveilig gehecht zijn. In België houdt dat dus in dat 45% van 12 miljoen mensen een vorm van onveilige hechting hebben. Dat is dus 5,4 miljoen Belgen die een vorm van onveilige hechtingsstijl hebben. Mensen die geacht worden hun kinderen met liefde en warmte, aandacht en toewijding op te voeden. Hoe kan dit? Hoe kan je iemand iets geven, als je het zelf niet ervaren en geleerd hebt? In mijn visie gaat dat lastig.
Een complicerende factor daarbij is ook nog eens een keer, dat de mensen met een onveilige hechtingsstijl elkaar vaak opzoeken. Niet zelden zie ik mensen met een angstige-ambivalente hechtingsstijl een relatie aangaan met mensen met een angstig-vermijdende hechtingsstijl. En dat is ook logisch. Immers de persoon met: ik ben niet oké, maar die andere is wel oké, zal een relatie aangaan met ik ben oké, maar die andere is niet oké. Ze passen als puzzelstukjes in elkaar. Echter…. na een aantal jaren is er niets veranderd en zal de hoop van: “Hij/zij zal wel voor mijn pijn gaan zorgen” in vlammen opgaan. Ze gaan uit elkaar, en vinden een nieuwe partner. En ja… weer diezelfde hechtingsstijl.
In haar boek: “Liefdesbang” zei Hannah Cuppen dan ook terecht: “Zoek niet de oplossing bij die andere, maar ga bij jezelf te rade wat jij nodig hebt om jezelf te helen”.
Wordt volwassen. Ga in het hier en nu leven en voel!!! wat je nu nodig hebt en vraag!!! dat aan je levenspartner. Niet claimen, geen slachtofferenergie, nee, gewoon vragen. Zo bouw je samen iets op.
Binnen Adult Attachment Therapy gaan we bewust een stapje verder. We imiteren hetgeen jij als baby, klein kind bent tekort gekomen na en laten je dat ervaren. Van de 870 cliënten die ik inmiddels met Adult Attachment Therapy heb behandeld zijn er 87,4% in geslaagd zich veilig te voelen bij zichzelf. Ze ervaren rust en leven meer in het hier en nu dan in het verleden.

Zie ook:  adultattachmenttherapy  
 
Van Hart tot Hart
Remke
De Vier Cirkels bv
Muizen
 
                                                               
 


© 2021 Het innerlijke kind - realisatie: BMT Media