Hoe overleef ik mijn ouders?

 

Misschien een wat gekke titel voor een lezing. De vraag die dan ook meteen naar voren komt is: Wat moet  ik dan overleven. Hoe reageert mijn lijf/brein hierop?

 

Om met die eerste vraag te beginnen: Wat moet ik overleven? Je moet de manier van reageren van je ouders op jou (en later je omgeving)  en wat dat met je doet overleven. Als alles perfect is (en wanneer gebeurt dat nu), zal er geen reactie van afkeer in je lijf/brein ontstaan. Echter is er door het kleine kind (zelfs al in de baarmoeder), al boosheid voelbaar, dan leert het daarop te reageren. Immers, boosheid is niet veilig en het kind zal naar een niet-veilige wereld worden gedwongen te gaan. Hier komt dus stress bij kijken. Er kunnen hierbij verschillende reacties plaats vinden. Echter altijd zit er angst bij. En hoe we op die angst gaan reageren hangt af van de omstandigheden. Het kan vluchten of vechten worden.

Wat ik in het komende verhaal probeer aan te geven is, welke weg wij afleggen om te komen tot wie we nu zijn als volwassene. Waarom reageren we op welke manier min of meer standaard op bepaalde situaties. Te denken valt hierbij aan:

·         Boosheid

·         Verlegen

·         Stil

·         Negatief zelfbeeld

·         Vrij en open

·         Liefdevol

·         Behulpzaam (extreem)

·         Vluchtgedrag en verslaving

·         Agressie        

·         Etc.

 

Waarom de ene boos is en de andere liefdevol. Waarom de ene zichzelf op de borst slaat en de andere wegkruipt in zijn of haar schulp.

Om het verhaal wat duidelijker te maken, wil ik jullie voorstellen aan twee personen: P. en S.

P. is een man van 59 jaar, die werkt op een woningbouw. Daar heeft hij de leiding over groot onderhoud van de gebouwen. Om P. wat beter te leren kennen, gaan we terug naar zijn jeugd. Hij is één van drie kinderen, de middelste. Hij heeft een oudere zus en een jongere broer. Zijn moeder is een hard werkende zachte lieve vrouw. Zijn vader een landarbeider, die sinds 14 jaar aan de drank is. Normaliter is zijn vader vrij stil, echter als hij de fles te pakken heeft, wordt hij agressief en gaat om zich heen slaan. P. heeft weinig contact met zijn vader, kan echter van hem geen fouten zien. Hij is dol op zijn moeder. In het kwadrant zit P. in Ik ben ok, de ander is niet ok. Hiermee begeeft hij zich dus met een stuk autoriteit in de wereld.

S. is een intelligente vrouw, die nu thuis is en het huishouden doet. Ze is 54 jaar oud. Haar moeder is in 1948 gescheiden, wat toen een schande was. In 1954 hertrouwde ze en uit dit huwelijk kwam eerst een  zoon en daarna S. S. was niet welkom, het was meer een ongelukje. Haar vader wilde haar dolgraag, echter haar moeder niet. Dit uitte zich o.a. in de opmerkingen die S. regelmatig naar haar hoofd kreeg: “Ik wou dat ik in mijn broek gedaan had”. Hiermee wordt bedoelt dat ze een abortus zou krijgen. S. en haar broer werden min of meer weggestopt in de wieg/box/kamer om vooral niet lastig te zijn. Als kind zijn mocht niet, alles moest netjes blijven, want wat zouden de buren er wel niet van kunnen denken als ze slordig of met vlekken in de kleding rond zouden lopen. Tijdens haar opvoeding moest er gestudeerd worden. Opmerkingen als: “Eerst je diploma’s halen, de jongens komen vanzelf”, of “Als je maar eerst je diploma haalt, dan komen aan elke vinger wel 10 jongens te zitten”,  kreeg ze vaak te horen. Op haar 18e ging S. het huis uit (vlucht) en trouwde een paar jaar later B., een vrij autoritair iemand die weinig hartscontact kon maken. S. was er voor het huishouden en hem verzorgen en verder moest ze niet zeuren/zagen.  Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen, M. en C. Na 12 jaar ging ze scheiden.

P. en S. ontmoetten elkaar en gingen samen wonen op een klein boerderijtje. Ze hielden paarden en S. zorgde voor de huishouding.

Naar buiten toe leek er niets aan de hand, het huis was proper, P. ging gewoon naar zijn werk en de dieren werden verzorgt.  Echter binnenskamers was er vaak ruzie, waarbij P. ernstig tekeer ging in woede. Zijn ogen spuugden vuur en hij zette elk woord kracht bij met zijn vuisten, die hij met brede armgebaren rond liet gaan.  S. werd dan stil, keek alleen maar en was op haar hoedde. Ze had al plannen om het huis uit te vluchten als het te erg zou worden. Ze had haar voorzorgmaatregelen genomen. Na zo’n woede-uitbarsting verliet P. de kamer en ging naar de paarden toe. De dag erop verwende S. P. dan met zijn lievelingsmaal en kwam het conflict in de doofpot (om er later weer uitgehaald te worden).

Maar stel nu eens, dat we een vliegen-camera hebben. Dat is een camera op de rug van een vlieg, die hoog in het huis vliegt en alles registreert zonder op te vallen. Wat zullen we dan zien?

P.

·         Met mij is niets aan de hand, hij ontkent

·         Hij is vaak boos

·         Hij is hardhandig en slaat S. soms

·         Hij kan niet praten, als er gepraat dreigt te worden, loopt hij weg

·         Hij is joviaal naar vreemden toe

·         Houdt van zijn paarden en is er fier op. De hele wereld mag zijn paarden komen bekijken

·         Hij laat zijn kunstjes zien als hij bij de paarden is. Het liefst aan mensen die er geen verstand van hebben. (Ik ben OK, jij bent niet OK).

·         Hij vindt zichzelf helemaal het einde en kleineert anderen.

·         Hij wil niet aan zichzelf werken. Psychotherapeuten zijn niet OK.

 

S.

·         Is een binnenvetter

·         Is verbaal erg sterk. Ze had advocaat moeten worden.

·         Uit haar emoties en wat ze werkelijk wil niet

·         Ze is soms wanhopig en weet niet wat met haar leven te doen

·         Ze is over-beschermend voor haar kinderen. Haar kinderen mogen nagenoeg alles doen en hoeven geen nare gevoelens te hebben (begrafenis van hun oma).

·         Wil zorgdragen voor anderen. Stapt uit de verpleging met een burn-out

·         Ze raakt oververmoeid en krijgt een kantoorbaan.  Hier wordt veel druk op haar gelegd, er moet gepresteerd worden. Ze krijgt hier geen positieve feedback. Er moet gescoord worden.

·         Ze vraagt steun aan een psycholoog (praten), echter die kan niet tot haar door dringen

·         S. denkt er over om voor de tweede keer te gaan scheiden.

·         Door langdurige ziekte wordt ze ontslagen van de kantoorbaan

·         S. slaapt apart van P. in een eigen kamer. Ze hebben nagenoeg geen contact.

Zo maar twee mensen, die wonen achter een façade van een mooi huis. Daar achter is het soms oorlog, koude oorlog of,  zo je wil, gewapende vrede.

Vraag:  Gestel, jullie zijn allen psychotherapeuten. Wat zie je hier en wat raden jullie de mensen aan?

 

 

Transactionele analyse en de PRI ( = Past Reality Integration)

 

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, neem ik jullie mee naar de TA ( = Transactionele analyse) ( Boek: Transactionele Analyse, het handboek) en de PRI (zie verder).

De TA is een therapievorm, ontwikkeld door Eric Berne. Hij zag patronen in de ontwikkeling van de mensen met daarin de gevolgen van hun opvoeding. Eric Berne onderkende drie ego-toestanden die hij beschreef als:

·         O = Ouder ego-toestand = gedrag, gedachten en gevoelens, overgenomen van ouders of ouderfiguren.

De ouder ego-toestand is onder te verdelen in:  1. Kritische ouder

                                                                                               2. Voedende Ouder

·         V = Volwassen ego-toestand = gedrag, gedachten en gevoelens die een directe respons zijn op het hier-en –nu

·         K = Kind ego-toestand = gedrag, gedachten en gevoelens, vanuit de kinderjaren herhaald.

Het kind ego-toestand is onder te verdelen in:                1. Aangepaste Kind

                                                                                              2. Vrije of Natuurlijke Kind

 (tekening egoposities TA)

 

Om het verhaal nog wat ingewikkelder te maken, kunnen we de Kind- ego- toestand weer onderverdelen in een Ouder, Volwassen en Kind-deel. Dit lijkt misschien raar, maar als kind hadden we deze drie elementen al in ons. Immers, het kind heeft basale verlangens en behoeftes (het Kind deel), het fantaseerde hoe het er het beste mee aan kon geraken (Ouder deel) en het beschikte intuïtief op een probleemoplossend vermogen (Volwassen deel).

De Ouder in het Kind, noemen we “de Magische Ouder”, De volwassene in het Kind noemen we “de Kleine Professor” en het kind in het kind, noemen we “het natuurlijke Kind”.

 

 

 (tekening egoposities TA uitgewerkt)

 

 

 

Nu kan het zo zijn, dat we van één van deze ego-toestanden, geen gebruik maken. We reageren dan vanuit de andere twee delen.  Al deze drie ego-toestanden, kunnen dus uitgesloten worden. 

1.       Mensen die de Ouder ego-toestand uitsluiten, handelen zonder vaste regels. Ze zijn losbandig in hun gedrag, grenzeloos. Per situatie maken ze hun eigen regels. Hun Kleine Professor laat hun intuïtief aanvoelen wat er gebeuren moet. Ze worden wel sjacheraars genoemd en kunnen top politici, geslaagde leidinggevenden of maffiabazen zijn.

2.       Ook zijn er mensen die hun Volwassen ego toestand uitschakelen. Ze schakelen dan de mogelijkheid uit om de werkelijkheid te onderzoeken, de werkelijkheid van het hier-en-nu. De enige inwendige dialogen die er dan nog zijn, zijn de Ouder- en de Kind-ego-toestanden. De hieruit voortvloeiende handelingen, gevoelens en gedachten zullen een constante strijd opleveren.

3.       Mensen die de Kind-ego-toestand uitschakelen, schakelen dus hun herinnering uit naar hun kinderjaren. Als je ze vraagt hoe hun jeugd was, weten ze dit dus niet meer. Normaliter is de Kind-ego-toestand actief, als we bij onze gevoelens zitten. Mensen die dit uitschakelen schakelen dus hun gevoel uit. Deze mensen worden gezien als          ” koude kikkers” of “hoofdmensen.” Het is voor hen te moeilijk en te bedreigend om naar hun gevoel te gaan. Immers, het zal hun terug brengen naar de herinneringen
aan de kinderjaren. En dit was nu juist datgene waarom deze strategie door het brein gekozen is.

 

De vier levensposities

 

Om de aanvankelijke vraag te beantwoorden: “Hoe overleef ik mijn ouders” is de eerste stap die van vertrouwen. Vertrouw ik die andere wel, of vertrouw ik mijzelf wel en hoe verhouden die zich ten opzichte van elkaar. Je komt op een soort patroon, een soort levensovertuiging te zitten. Een overtuiging van hoe de wereld en jijzelf in elkaar zitten. Eric Berne  maakt onderscheid in vier denkbeelden, 4 levensovertuigingen:

1.       Ik ben OK

2.       Ik ben niet OK

3.       Jij bent OK

4.       Jij bent niet OK

 

 

 

 

 

 (tekening ik ben ok/ik ben niet ok)

 

 

 

 

Hieruit kunnen zich vier overtuigingen vormen, die dieper liggen dan het hebben van een mening over iemand of van het gedrag afstemmen op een bepaalde situatie. Het is een levensovertuiging, een drijfveer die we toe kunnen passen op allerlei situaties. Zijn we ons hiervan bewust, dan kunnen we dit actief gaan veranderen, echter allereerst moet die bewustzijn er komen.

 

1.       Ik ben OK, jij bent OK.  Hieruit komt een samenwerkingsverband naar voren. Er is een vertrouwen tussen jou en je partner en er is een behalen van een gezamenlijk doel mogelijk. Dit op basis van gelijkwaardigheid. Eric Berne noemde dit een gezonde verhouding, de beide partijen gaan er samen tegenaan om een doel te bereiken. Hier is een gezond Ware Zelf aanwezig.

 

2.       Ik ben OK, jij bent niet OK. Om een bepaald doel te bereiken is er vertrouwen nodig van twee partijen. Echter in deze situatie vertrouw ik de andere niet. Er is wantrouwen. Die andere is maar lastig en men kan het gevoel hebben van: ”Hoepel maar op, ik kan het alleen toch veel beter en sneller”. Als die andere blijft aandringen, kan dit tot irritatie en lichamelijke verschijnselen leiden als rood aanlopen, hartkloppingen, druk in de maagstreek, ongemakkelijk voelen etc. Men kan kortaf gaan reageren, zeggen dat er geen tijd is. (Immers, men moet het allemaal alleen doen en de deadline kan al over een paar uur zijn).

Deze hier beschreven reactie is gevormd door het Kind in die persoon, die door de tijdsdruk in paniek is geraakt. De mensen die in deze groep zitten hebben een wat paranoïde gedrag. Ze zijn wantrouwend en geloven dat zij alleen het probleem kunnen oplossen. Zij vinden de interventie van andere mensen lastig en willen ze het liefst kwijt geraken. Ze staan vaak letterlijk alleen in het leven. Ook zien we vaak dat ze slecht zaken uit handen kunnen geven en blijven controleren. Hier is dus een Innerlijk Kind actief die wantrouwig is.

3.       Ik ben niet OK, jij bent OK. Deze mensen maken zichzelf klein. Er kan hier sprake zijn van een te kleine eigenwaarde. Ze kunnen in een soort slachtofferrol gaan zitten. “De andere maakt me gek”, of “Ik kan niet tegen die andere op”, “Ik kan het niet verdragen, ik moet hier weg”, “Ik doe er niet toe”, zijn zinnetjes die mensen dan vaak kunnen denken. Ze halen zichzelf naar beneden. Kunnen soms erg verlegen zijn en zien op tegen de andere. Minderwaardigheidsgevoelens kunnen naar boven komen, waardoor een goed contact niet meer mogelijk is. En mochten ze dan al eens de schijnwerpers op zich gezet krijgen, maken ze zich in hun eigen woorden weer klein: “Het zal wel niet goed zijn wat ik zeg, maar zou het zo kunnen zijn dat…..”of “Misschien heb ik het fout hoor, maar ….”.  Ook hier zijn er lichamelijke verschijnselen als druk in de maagstreek, gespannen buikspieren, zweten en roodheid, klachten van het keelgebied, om zo maar een paar te noemen. Vluchtgedrag zien we ook vaak bij deze groep mensen. Men onttrekt zich aan datgene wat hen in die gemoedstoestand brengt. In sommige gevallen kan dit zelfs leiden tot depressiviteit. Hier is dus een Innerlijk Kind actief, die vind dat hij/zij het niet goed doet.

 

4.       Ik ben niet OK, jij bent  niet OK. Meestal is dit een situatie, waarbij de oorzaak van het ophalen van dit gevoel buiten de beide personen ligt. Bijvoorbeeld: de waterkraan lekt thuis en je wordt gebeld op je kantoor door je partner. Reacties als ” Ik kan er nu ook niets aan doen, je red je er maar mee” horen tot deze categorie van denken. Er is hier een vorm van paniek. In de persoon is een stemmetje die zegt: “Ik heb er helemaal genoeg van. Hier kan ik niet meer tegen, ik moet het ook allemaal alleen doen en aan mijn partner heb ik ook al niets. Het is hopeloos”. Zuchten hoort vaak bij dit soort reacties, men voelt zich soms moedeloos, leeggezogen en gedeprimeerd. Zinnen beginnen vaak met : “Nee, hè, niet weer…..”. Ook hier is de slachtofferenergie soms sterk aanwezig. Het Innerlijke Kind dat hier actief is, is machteloos en in paniek. Alles glipt uit haar/zijn handen.

 

 

Hoe zijn we aan deze levensovertuigingen gekomen?

 

Je kan je afvragen wanneer nu deze levensovertuigingen in ons leven zijn gekomen. Veel auteurs denken dat dit tussen de 3e - en 7e - jaar plaats heeft gevonden. Kinderen beginnen de taal te beheersen en krijgen een ruimere kijk op de wereld zoals ze die tot dan toe kenden. Ze gaan naar school en zien hoe het er daar aan toe gaat. De “goden” thuis blijken geen “goden” meer te zijn en hun onfeilbaarheid blijkt ook deuken op te lopen. De Liefde die ze van hun ouders mogen verwachten, blijkt ook niet voor 100% waar te zijn. Kortom, het kind gaat zich realiseer hoe de wereld (althans hun wereld op dat moment), er in werkelijkheid uit ziet. Combineer dit met opmerkingen die ouders soms uit pure wanhoop zeggen als: “Val toch dood”, of “Doe niet zo gek, je komt nog eens in een gekkenhuis terecht”, of ”Ik wou dat ik in mijn broek gedaan had” (= abortus), of “Zoek maar andere ouders op, ik hoef je niet meer” (en helaas is deze lijst eindeloos) en dan heb je een prima voedingsbodem voor de vorming van het zelfbeeld en het beeld van de andere voor deze kinderen.  Zet daarbij het gegeven, dat het kind op dat moment afhankelijk is van zijn ouders, en de bron van overtuigingen en hoe om te gaan met deze situatie is neergezet. De overleving van het gedrag van de ouders is dus het veroordelen van zichzelf en daar conclusies uit trekken. Niet de ouders hebben schuld, maar ik ben degene die het niet goed doet. Dus ik moet beter mijn best doen….. Tevens mag en kan ik niet voelen wat dit allemaal met mij doet. Ik ben tenslotte zelf de schuldige van deze situatie. Ik heb het niet verdiend, dus als ik dat ga voelen, dan kan ik dit niet meer verdragen. Immers, hoezeer ik mijn best ook doe, ik krijg nooit wat ik nodig heb en meer dan 100% de best doen kan ik niet. Dus dan maar niet voelen, want dan overleef ik de situatie in ieder geval. Ik ga de situatie analyseren en controleren om op die manier vat op de zaak te houden.


Als we met mensen werken in deze vier vlakken, zijn we er ons van bewust, dat iedereen op z’n tijd in alle vier de vlakken zit. Iedereen voelt zich wel eens niet-OK of dat de andere wel OK is. Echter één van de vier vlakken komt toch het meeste voor. Dat is dan het vlak waar we, zoals hiervoor beschreven, in ons jeugd zijn gaan zitten als reactie op de patronen van onze ouders/opvoeders. Het is ons primaire overlevingsvlak.

Ik ben OK en jij bent OK is min of meer de gezonde uitgangspositie. Hiermee slaag je in je leven en slaag je in het oplossen van problemen. Er wordt dan gehandeld om een positief resultaat te bereiken welke men zich voor ogen heeft. Dit is dus een positie, welke gebaseerd is op de realiteit.

In therapie gaat het erom, inzicht te krijgen in welke positie men inneemt en wat de achterliggende overtuiging is. Bovenal, wat de diepere behoefte van het Kind is.

Uit de praktijk blijkt, dat men van een (Ik-,Jij-) naar (Ik+, Jij-), naar (Ik-, Jij+) tot (Ik+, Jij+) gaat. 

Dit kan soms een heel proces zijn, waar het Innerlijke Kind een cruciale rol in speelt, immers het Kind weet wat het werkelijk nodig heeft om los te komen van de emoties van de ouders. Het Kind wist immers wat de basisbehoefte was, alvorens de ouders daar hun eigen persoonlijke behoeftes op los lieten.

 

Hoe beïnvloeden onze ouders ons?

 

 

 (tekening TA egoposities met vader en moeder erbij) 

 

 

 

 

Onze ouders geven dus op verschillende lagen boodschappen aan ons door: op ouderniveau, volwassenniveau en kindniveau.

Op O-O-O niveau: er komen bevelen bij ons binnen, over wat je wel en niet mag doen, samen met definities van hoe mensen en de wereld in elkaar zitten. Hiervan krijgen we er duizenden meegegeven door onze ouder en opvoeders. Voorbeelden:

·         Je moet…zoet/braaf zijn

·         Je mag…niet stout zijn

·         Wees mijn prinsesje

·         Werk hard ( is een bevel)

·         Wordt de beste van de klas

·         Liegen is slecht

·         Hang de vuile was niet buiten

Deels is dit nodig om goed voor onszelf te zorgen en gladjes in de maatschappij te passen.

 

 

 

5 bevelen oefenen een erg sterke invloed uit op ons leven:

·         Wees perfect

·         Wees sterk

·         Doe je best

·         Doe (de ander) een plezier

·         Schiet op

Het kind zal dwang voelen om deze boodschappen op te volgen. Zolang hij deze boodschappen opvolgt, is hij OK. Zolang hij aan deze boodschappen kan voldoen, is hij OK. Echter als hij er niet meer aan wil of kan voldoen, is hij niet OK en beïnvloed daarmee zijn/haar gedrag en de kijk op zichzelf.

Deze manier van communiceren, van ouder-energie naar ouder-energie wordt meestal verbaal over gebracht.

 

 

Op V-V-V niveau worden boodschappen gegeven, hoe je dingen moet doen, hoe het is in de wereld. Zeg maar de gebruiksaanwijzing van zaken. De zinnen die we gebruiken beginnen vaak met : “Zo moet je …..”.

Ook hier kennen we er duizenden van. Voorbeelden:

·         Zo moet je …tot tien tellen

·         Zo moet je … je naam schrijven

·         Zo moet je… pap maken

·         Zo moet je … je veters strikken

·         Zo moet je … een man/vrouw zijn.

·         Zo moet je … aardig zijn

·         Zo moet je … de beste van de klas worden

·         Zo moet je … je gevoelens verbergen

 

 

Op K-K-K niveau worden er bewust of onbewust boodschappen gegeven die bij het kind binnen komen.  Meestal komen de volgende boodschappen op kindniveau binnen:

·         Besta niet (er is pijn bij de ouders, omdat de komst van het kind iets veranderde, vb. carrière)

·         Vraag niet om wat je nodig hebt ( hierbij is ouderlijke drang tot afwijzing van het kind)

·         Wees niet jezelf (ouders kregen een jongen, terwijl ze een meisje wilden, of andersom)

·         Hoor er niet bij ( ouders zijn zelf sociaal onhandig en projecteren dit op het kind)

·         Wees geen kind (er was bedreiging bij de ouders, omdat er een kind was)

·         Kom niet dichtbij ( ouders raken elkaar zelden aan. Dus kind mag ook niet over emoties praten)

·         Groei niet op (vaak bij het jongste kind. De ouders willen de kind-energie vasthouden)

·         Wees niet gezond ( kind krijgt alleen aandacht als het ziek is. Dus wordt het kind ziek)

·         Slaag niet (ouders zijn jaloers op het kind, als die meer bereiken dan zei)

·         Denk niet ( prestatie van kind wordt onderdrukt en ironisch benaderd. Kind voelt zich dom)

·         Doe niets (ouders zijn doodsbang, dat hun kind iets zal overkomen als ze het loslaten)

·         Voel niet ( als ouders zelf hun gevoelens opkroppen, zal het kind niet de emoties tonen, gevoel wordt uitgeschakeld)

 

OEFENING: GA MET DE OGEN DICHT IN DE RUIMTE STAAN MET ANDERE MENSEN. GA NU OP DE TAST DOOR DE RUIMTE EN ONTMOET EEN ANDERE PERSOON EN ONTDEK DIE DOOR MIDDEL VAN HET BETASTEN VAN ZIJN/HAAR HAND.

(WELKE GEVOELENS GINGEN ER DOOR DE MENSEN HEEN?).

 

Voorbeeld: Stelt u zich een moeder voor met haar pasgeboren baby. Ergens zal ze beginnen dit kind op te voeden. Hoe kan ze dit doen?

·         Vanuit haar Ouder-ego-positie: Ze heeft van haar ouders geleerd: “Kleed je kinderen netjes”, “Zorg dat de kinderen geen lawaai maken” of “Kinderen moeten beschermd worden; hun behoeften gaan voor” (Ze geeft dus op dit niveau aan WAT ze moet doen)

·         Vanuit haar Volwassen ego-positie: Ze heeft in boeken gelezen over verzorgingstechnieken en dat de melk 36 graden warm moet zijn. “Ouders van nu” staat er vol van. De dr. Spock wijsheden. (Ze geeft dus op dit niveau aan HOE ze het moet doen)

·         Vanuit haar Kind-ego-toestand (positief): Terwijl de moeder terug gaat in de tijd en haar eigen vroege jeugd herhaalt, voelt zij misschien: :”Fijn! Nu is er nog een kind om mee te spelen”. (Op dit niveau is er sprake van een GEVOEL, EMOTIE).

·         Vanuit haar Kind-ego-toestand (negatief): Ze voelt misschien: “Dit is gevaarlijk. Nu er weer een baby is, moet die alle aandacht hebben. Wanneer krijg ik nu weer eens aandacht? Misschien is er niet voldoende aandacht voorradig”. Als dergelijke gevoelens bij herhaling naar boven komen, functioneert  de baby als een prikkel, een trigger, welke ertoe kan leiden dat de moeder boos wordt, boos op haar eigen kind. Dit alleen omdat ze zelf niet genoeg aandacht heeft gekregen in het verleden en nu jaloers wordt op haar eigen baby. In haar kind-ego-toestand wil de moeder het kind afwijzen en zelfs doden. Meestal zijn deze gevoelens weggeduwd en zal ze er niets van merken. Sterker nog, ze zal kunnen over komen als een liefhebbende moeder. De baby kan dit echter wel waarnemen. Die merkt meer op, voelt meer en werkt nog sterk met energieën.

Deze manier van communiceren wordt dus meestal non-verbaal over gebracht in de vorm van emoties en lichaamsgewaarwordingen.  Door de emotie en gedragingen van de moeder kan het kind dus gaan denken:  “Besta niet” of “Kom niet dicht bij”.

En wat nu, als we tegen de negatieve boodschappen van onze ouder ingaan? (Dus op K-K-K-niveau?), dan zal het lichaam reageren met:

·         Hartkloppingen

·         Zweten

·         Maagkrampen

Er zullen allerlei manieren gevonden worden om gedrag te vermijden dat tegen de boodschap van K-K-K in gaat. Sommige mensen zeggen nu: ja maar, dat doe ik als volwassene. Nee dus, dat is het rationaliseren van je gedragingen. De werkelijke impuls kwam vanuit het Kind.

De K-K-K- boodschappen komen zowel in positieve (toestemming) als negatieve(bestraffing) op non-verbale manier eerder binnen als de bevelen op O-O-O niveau (Immers, de taal komt pas later in het leven van het kind). Echter, men is er niet achter hoe lang dit proces door gaat in ons leven. Misschien wel ons gehele leven.

Als reactie hierop kom je weer in je angstpatroon te zitten en zal je gaan reageren met vluchten of vechten.

 

 

 

Overlevingsreacties op de angstpatronen van vechten/vluchten.

 

Om nu te groeien en onze weg (levensweg) te bepalen in ons leven. Hebben we een aantal mogelijkheden, handvaten, die ons helpen die weg te bepalen. Het zijn als het ware de overtuigingen die we meegenomen hebben vanuit de boodschappen die we in het O-V-K model hebben meegekregen.

Deze boodschappen zijn:

·         Voordat: “Ik kan geen plezier hebben,  voordat ik klaar ben met mijn werk”:  Er kan iets aangenaams dus niet gebeuren, voordat iets minder aangenaams achter de rug is. (Er wordt in het vertellen, vaak tussenzinnen gebruikt, die teruggrijpen op iets uit een vroeger tijdvak).

1.       Ik moet volledig inzicht in mijzelf hebben, voordat ik kan veranderen.

2.       Het leven begint bij veertig.

3.       Na mijn pensioen zal ik reizen kunnen maken.

4.       In het hiernamaals krijg ik mijn beloning.

5.       Als de kinderen het huis uit zijn, dan krijg ik tijd voor mijzelf.

6.       Ik kom zo bij je, maar eerst moet ik dit of dat af maken.

Deze mensen leven dus niet in het hier en nu, maar zijn met toekomstige dingen bezig. Daar is pas het fijne te bereiken. En niet in het hier en nu……..

·         Nadat: “Vandaag kan ik plezier hebben, maar morgen zal ik ervoor moeten boeten”. (Er wordt in het vertellen, vaak het woordje “maar” gebruikt, die afbreuk doet aan hetgeen er verteld wordt).

1.       Dit is een fantastisch feest. Maar oh jee, wat zal ik morgen een kater hebben.

2.       Als je eenmaal getrouwd bent, bestaat je gehele leven uit verplichtingen.

3.       Ik begin de dag graag actief en vroeg, maar tegen de avond word ik moe.

·         Nooit: “Ik kan nooit krijgen wat ik het liefst wil”. Deze mensen zetten vaak geen stappen in het leven. “Ik wil graag een vaste relatie met een vrouw aangaan. Dit is me nog nooit gelukt”.  Ondertussen zit die persoon op zijn zolderkamertje en onderneemt niets (zet geen stappen) om in contact te komen met een vrouw. Deze mensen praten vaak over de negatieve inhouden van hun leven en herhalen dit als een grammofoonplaat.

·         Altijd: “Waarom moet mij dat altijd overkomen”. Deze mensen stappen vaak van het ene in het andere terwijl er zelden wat veranderd. Bijvoorbeeld van de ene relatie in de andere, zonder de type waarop ze denken verliefd te zijn geworden te veranderen. Ze vallen als het ware steeds weer in hetzelfde gat. Typerend bij deze mensen is het afbreken van zinnen en binnen één zin dit meerdere keren te doen: “Ja, waarom ik gekomen ben is.. eh.. toen ik op weg hierheen was, zag ik mijn vriendin…. En tussen twee haakjes, ik heb wat geld bij me en…”.

·         Bijna: “Dit keer is het me bijna gelukt”. “Oef, ik had bijna de hoofdprijs in de lotto, maar twee cijfers waren anders”. (En dat elke week weer). Mensen met dergelijke patronen kunnen de volgende typerende zinnen gebruiken: “Vandaag wil ik u iets gaan vertellen over….o ja, wat ik zeggen wilde, ik heb een blad met aantekeningen bij me, die ik nu zal uitreiken”. Een tweede mogelijkheid is het positieve door het negatieve te laten volgen: “Zijn de bomen niet prachtig in de herfst? En het is ook nog zo lekker warm met die heldere zon. Maar de lucht zelf is koud”.

·         Open einde: dit zijn vaak mensen die het gevoel hebben in een gat te vallen. Voorbeeld: pensionering, kinderen het huis uit. Mensen denken dan: “Op een zeker moment in de toekomst, zal ik geen raad meer weten met mijzelf”

 

Drijfveren

 

De hierboven genoemde overtuigingen worden gevormd door een aantal drijfveren. Zinnetjes die in ons hoofd zitten en die ons aanzetten tot een bepaald gedrag:

·         Wees perfect

·         Doe de ander een plezier

·         Doe je best

·         Wees sterk

·         Schiet op

Ieder van deze 5 drijfveren hebben hun eigen intonatie, woordkeus, gebaren, lichaamshouding en gelaatsuitdrukkingen. Deze uitingsvormen kunnen soms in een fractie van een seconde ontstaan.

·         Wees perfect:

1.       Woorden: Gebruikt veel tussenzinnen: “Ik ben hier vandaag, zoals ik al zei, om iets te leren over je gedrag” Gebruiken woorden als: als het ware, waarschijnlijk, mogelijkerwijs, volledig, zeker, zou je kunnen zeggen, zoals we hebben gezien. Ze bespreken puntsgewijs zaken met cijfers of letters (ten eerste, ten tweede etc.)

2.       Intonatie: Volwassen en neutraal qua toonhoogte

3.       Gebaren: met vingers de punten aangegeven. Hand kan op kind liggen als de klassieke denker

4.       Lichaamshouding: Volwassen, rechtop en in balans

5.       Gelaatsuitdrukking: ogen vaak naar boven gericht en naar één kant, dit meestal als de spreker even pauzeert. Gespannen mond en mondhoeken naar beneden gericht.

·         Doe de ander een plezier:

1.       Structuur van de “Nadat”. Van positief naar negatief. Gebruik van het woordje “maar”.

2.       Intonatie: hoge stem, schril geluid die aan einde van de zin hoger wordt.

3.       Gebaren: uitgestoken hand, meestal met handpalm naar boven. Knikken met het hoofd.

4.       Lichaamshouding: schouders omhoog en naar voren. Naar de andere toegebogen.

5.       Gelaatsuitdrukking: met het gezicht iets naar beneden gedraaid kijken. Hij kijkt omhoog (naar iemand op kijken), met opgetrokken wenkbrauwen. Horizontale rimpels op het voorhoofd. De mond heeft de vorm als bij een glimlach. Tanden zijn soms zichtbaar.

·         Doe je best:

1.       Woorden: Vaak wordt het woordje proberen gebruikt.  “Wat ik probeer te vertellen is….”

2.       Intonatie: gedempt en geknepen keelgeluid

3.       Gebaren: vaak houdt hij een hand naast het oor of het oog, alsof hij zich inspant om iets te zien of te horen. Hij balt misschien de vuisten.

4.       Lichaamshouding; voorover gebogen en handen vaak op de knieën. De algemene indruk is die van iemand die zich klein maakt.

5.       Gelaatsuitdrukking: twee verticale lijnen boven de neus.

·         Wees sterk:

1.       Woorden: “Mijn gevoelens en mijn daden zijn niet mijn verantwoording, maar zij worden door machten buiten mij veroorzaakt”.

a)      Je maakt me boos

b)      Dit boek verveelt me

c)       De gedachten komen bij me op dat…

d)      Zijn houding dwong mij om terug te vechten

Als hij het over zichzelf heeft, gebruikt hij termen als: men, je, de mensen, het, dat etc.

a)      Dat voelt goed (i.p.v. Ik voel me goed)

b)      Men moet zijn gevoelens voor zich houden (i.p.v. Ik moet…)

c)       Zulke toestanden zetten je onder druk

2.       Intonatie: vlak, monotoon, meestal laag

3.       Gebaren: geen gebaren

4.       Lichaamshouding: gesloten lichaamshouding. Over elkaar geslagen armen, gekruiste benen, of cijfer-4 houding. Lichaam geeft indruk van onbeweeglijkheid.

5.       Gelaatsuitdrukking: uitdrukkingsloos en bewegingsloos.

·         Schiet op:  

1.       Woorden: schiet op, vlug, we moeten gaan, er is geen tijd om…..

2.       Intonatie: staccato, soms gooit hij de woorden door elkaar

3.       Gebaren: tikken met de vingers op voeten of tafel, draaien in de stoel. Op klok kijken

4.       Lichaamshouding; geen specifieke, maar wel van een geïrriteerde houding

5.       Gelaatsuitdrukking: frequent en snel veranderen van blikrichting.

 

 

 

 

 

Drijfveren en levensovertuigingen

 

Al deze hierboven genoemde drijfveren passen bij elke levensovertuiging:

·         Wees perfect                                                                               voordat

·         Doe de ander een plezier                                                          nadat

·         Wees sterk                                                                                   nooit

·         Doe je best                                                                                   altijd

·         Doe de ander een plezier + doe je best                                  bijna

·         Doe de ander een plezier + wees perfect                               bijna

·         Doe de ander een plezier + wees perfect                               open eind

 

 

 

 

 

Affirmatie

Wat kunnen we doen tegenover de levensovertuigingen en drijfveren die ons dwars zitten. Hiertoe zullen we anders moeten leren denken. Als je geluk had met je ouders, had je sommigen van hen mee gekregen, zo niet, dan zal je ze zelf aan moeten leren, door het jezelf te zeggen:

·         Wees perfect                                   Zoals je bent, ben je goed genoeg         Ik ben goed zoals ik ben

·         Doe de ander een plezier              doe jezelf een plezier                               Ik doe mijzelf een plezier

·         Wees sterk                                       Wees open en uit je behoeften              Ik ben open over wat mijn behoeftes zijn

·         Doe je best                                       Doe het maar                                             Ik doe het op mijn manier

·         Schiet op                                           Doe het in je eigen tempo                       Het is goed dat ik alles in mijn eigen tempo doe.

   

S en P

Kijken we nu even weer naar ons stel. Dan zouden er bij P. de boodschappen kunnen zijn:

·         O: Werk hard en hang de vuile was niet buiten.

·         V: Zo moet je een man zijn en je gevoelens verbergen. Hij doet dit door zichzelf op te blazen (Vals Macht, zie verder).

·         K: Besta niet, wees niet jezelf en vooral: voel niet.

 

Bij S. kunnen de boodschappen zijn:

·         O: Je moet zoet zijn, werk hard en hang de vuile was niet buiten (en misschien van vaders zijde: wees mijn prinsesje).

·         V: Je moet de beste van de klas zijn en je moet je gevoelens verbergen. Ze doet dit door haarzelf weg te cijferen.

·         K: besta niet, vraag niet om wat je nodig hebt, wees niet jezelf, voel niet.

Zowel  S. als P. kennen dus min of meer dezelfde boodschappen. Er is dus een vorm van herkenning en de onbewuste boodschap van : “Als jij dat ook kent, kan je mij zeker helpen dit probleem op te lossen”. “Oh, maar als dat zo is, wil ik wel met jou door het leven, want jij!!! kan mij helpen”. En dit noemen ze liefde…….ja,ja……

Dus ze gingen samenwonen en trouwen. Na 6 jaar ging het moeilijker. P. was hardhandig en S. knalde zowat uit elkaar van niet geuite emoties en frustraties. Ze moest haar werk opzeggen en moest thuis blijven.

    

 

Hoe was hun beider reactie op de boodschappen die hun ouders hen meegegeven hadden? Hoe overleefden zij hun ouders?

 

Om hierop antwoord te kunnen geven, zullen we eerst de mogelijkheid moeten bekijken van HOE iemand kan reageren. Ik maak hier gebruik van de PRI (Past Reality Integration) van Ingeborg Bosch (Boek: De herontdekking van het ware zelf). Zij stelt dat onze problemen voortkomen uit het verleden en dat we die ontkennen en verdringen. Willen we hiermee dus in contact komen, dan zullen we die verdringing en ontkenning moeten opheffen. We zullen contact moeten maken met de realiteit van het verleden en deze een plekje weten te geven in ons heden.

Ontkenning van de waarheid

Ingeborg Bosch onderscheid in de PRI drie soorten afweermechanismen:

·         Valse hoop

·         Valse macht

·         Primaire afweer

Allen hebben ze als functie, dat ze de waarheid ontkennen. De waarheid dat we tekort hebben gekregen. De waarheid dat onze ouders niet zo perfect zijn als dat we wel wilden, sterker nog, dan dat we nodig hebben.

 

Valse Hoop: we hebben behoeftes die niet ingevuld werden. Bij Valse Hoop is er een stroming in de gedachte van het kind gekomen die zegt: als ik nu maar doe wat papa en mam willen dat ik doe, of als ik nu maar ben wie zij willen dat ik ben, dan zullen ze van mij houden en dan komt het goed. Dat patroon van “als…, dan…” is kenmerkend voor de Valse Hoop.

Dit is echter één grote leugen, het zal nooit lukken, immers, deze overtuiging stamt uit de tijd dat we een kind waren. Nu zijn we volwassen en per definitie is het verkrijgen van wat we nodig hebben dus altijd gedoemd te mislukken. Om deze behoeftes niet te hoeven voelen, maken we gebruik van afweermechanismen. Deze afweermechanismen hebben we nodig om te overleven. De waarheid was anders te hard voor ons. Echter dit zijn Kindwaarheden en ja, als kind kunnen we dat misschien niet aan. Stel je maar eens voor dat je als kind van 1 jaar door krijgt dat papa en/of mama er niet voor je zijn. Je zou sterven. Om dit te overleven zal het kind een afweermechanisme in het leven roepen. Let wel, toen waren ze nodig echter nu als volwassen niet meer. We moeten het dus afleren van deze mechanismen gebruik te maken. We zullen de pijn en het verdriet moeten voelen van het tekort welke we toen hadden.

 

 

 

Valse macht: deze ligt wat gecompliceerder. Wee kunnen de Valse Macht indelen in twee categorieën:

1.       Valse macht ontkenning behoeftes

2.       Valse macht woede

De gemeenschappelijke kenmerken van valse Macht ontkenning behoeftes en woede zijn:  Het ontkennen dat je een behoefte of een probleem hebt. Ze ontkennen dus hun zwakheid. In alle toonaarden wordt dit bezongen.  Maar echt contact hebben ze niet. Veel vrienden hebben ze niet. Ze denken dat ze geen probleem hebben en dat alleen de mensen om hun heen problemen hebben en dat die verantwoordelijk zijn voor het gezeur…..  “Ik heb geen probleem, jij deugd gewoon niet… “is een veel gehoorde opmerking. Want oh wee, als we emotioneel dichter bij komen. Dan komen we er achter dat ze onzeker zijn en de pijn van vroegere jaren aan het verdringen zijn.  En hier ligt nu juist hun mogelijkheden, hun groei, maar ja, leg ze dat maar eens uit. (Mail Mariska).

Ad. 1. Valse Macht-ontkenning behoeftes: Deze mensen komen rustig, gemakkelijk, beleeft etc. over. Je zou niet vermoeden dat diep in hen een tijdbom zit. Je zou zo op het eerste gezicht niets vermoeden aan deze mensen. Echter één ding ontbreekt er: intimiteit. Ze houden je op afstand, want als je te dicht bij komt (met name emotioneel, psychologisch), dan bijten ze van zich af. Dit zien we soms bij vrouwen, echter meestal bij de mannen.  De kritiek die deze mensen over zich af roepen is, dat ze niet gezien worden, dat ze zich niet laten zien, dat ze niet zeggen wat er in hun om gaat.

Ad.2 Valse Macht- woede: deze is veel uitgesprokener dan de eerste Valse Macht-ontkenning behoeftes: deze vorm kenmerkt zich door woede, irritatie en razernij.  Mensen schrikken van hen. Meestal ook hier zijn het de mannen die dit hanteren, alhoewel er ook vrouwen zijn de gebruik maken van de Valse Macht-woede.

Primaire afweer: deze persoon legt alles bij zichzelf neer. Ik kan het niet, het ligt allemaal aan mij, ik ben waardeloos. Deze afweer komt als eerste naar boven als we merken dat onze behoeftes niet wordt ingevuld. Het kind kijkt eerst naar zichzelf, immers ook wel logisch, omdat de waarheid (de ouders zijn niet ok) niet overleefbaar is. Om deze reden heeft ook iedereen dit afweermechanisme in zich, wat er later ook bovenop komt, hier begint het mee. Doordat het kind naar zichzelf kijkt, heeft het ‘t gevoel, dat ze er macht over heeft. Immers, anderen kunnen we niet veranderen, onszelf wel……. Echter onze behoeftes hoeven we niet zelf in te vullen, dat was de taak van de ouders. Dus het inzien van hun falen kan ons een stapje dichter bij brengen naar heling.

Om de titel van deze lezing nog eens naar voren te halen: hoe overleef ik mijn ouders: is er maar één antwoord mogelijk: met leugens. Leugens die ons voor houden dat we in het heden datgene kunnen krijgen, wat we als kind nodig hadden. Leugens die ons een partner doet uitzoeken, die verantwoordelijk geacht wordt voor onze pijn en verdriet en dus de opdracht krijgt: zorg maar dat het goed komt. Dit zal niet lukken en gaan we dus naar een volgende partner.

Sue Johnson gaf al aan, dat willen we niet in “zoek de boef” , “polkadans” komen of de ”vriesfase”, dat we naar onszelf moeten kijken. Naar onze eigen gevoelens en wat het met ons doet. We moeten kijken naar  wat er achter het emotionele muurtje is opgeslagen. Daarmee moeten we aan de slag. Ons Innerlijke Kind moeten we als volwassene zelf datgene geven, wat het nodig heeft. Hierbij ontstaat geen vorm van afhankelijkheid, omdat we het onszelf geven en er zelf zorg vroor dragen.

 

Kijken we nu weer naar P. en S. , welke afweermechanismen hanteerden zij?

P. Valse Macht-woede en deel Valse Macht- ontkenning. Hij werd boos en schreeuwde op autoritaire wijze naar S. Hij gebruikte fysieke kracht, niet om haar wat te doen, maar meer om haar op afstand te houden. Ze mocht niet te dicht bijkomen. Want als ze wel dichtbij zou komen, ging hij voelen en dan zou zijn verdediging die hij zo lang gekoesterd had, dus vanaf zijn kinderjaren, ineen vallen. Dan zou hij er achter komen dat zijn kinderjaren niet zo fantastisch waren geweest en dat zijn ouders niet zulke fantastische ouders waren geweest. Kortom, dan zou hij het (gevoelsmatig) niet overleven.

S. Valse Hoop:  als er iets fout gaat, doet ze haar stinkende best om die fout goed te maken…..om later weer in conflict te komen. Maar deze hoop is en blijft Vals. De reden daarvan is gelegen in het feit, dat ze dit stuk opgelopen heeft toen ze klein was. En dat kan ze nu eenmaal niet als volwassene opruimen. Daarvoor zal ze weer kind moten zijn. Fysiek is dat natuurlijk onmogelijk, echter gevoelsmatig kan dat wel. S. heeft behoefte aan contact, aan warmte en liefde. Aan weer op schoot mogen zitten en geknuffeld worden door papa of mama. In dat knuffelen leert ze dat ze OK is en dat zij er ook toe doet. Ze wordt dan gezien, gezien in hoe ze is en gezien in haar noden. Dan pas zal ze gaan stromen en tot leven komen en van overleven “leven” maken.

 

Oplossing:

S. trok het niet meer. Ze ging praten met therapeuten en psychologen. Deze leerden haar voor zichzelf op te komen, grenzen te stellen. Te luisteren naar haar Innerlijke Kind. Eerst schreef ze briefjes aan P. echter die kwamen niet aan. Toen op een dag, dreigde ze met hem te verlaten als het zo door ging. S. ging voor haar Innerlijke Kind opkomen. Ze trok het niet meer en stond met de rug tegen de muur. Ze had niets meer te verliezen.

P. schrok daarvan  (immers, voor hem was S. meer een moederfiguur, waar hij bij terecht kon. S. leek immers precies op zijn moeder, die hem verzorgde en vertroetelde. Die zei dat alles goed kwam en op wie hij vertrouwde als zijn papa eens weer een dronken een agressieve bui had. S. zorgde er dus voor, dat P. in zijn Innerlijke Kind-energie kwam, als zij goed voor hem zorgde. Als S. iets voor zichzelf vroeg, voelde P. de afstand en sloeg zijn gevoel om naar woede. Echter nu S. dreigde weg te gaan, werd P. bang. Bang zijn moeder te verliezen. Dit wil hij niet.

S. stelde eisen en P. ging hierin mee. S. verklaarde, dat als hij haar weer met één vinger aan zou raken, dat S. aangifte zou doen bij de politie.

Langzaam begon P. te praten over zijn eigen behoeftes en gaf S. daarmee ook ruimte.

Op dit moment gedogen ze elkaar en kunnen verder leven. Er is nu minder spanning. S. heeft geleerd, dat Valse Hoop niets oplevert, dat er veel tranen zijn gehuild, dat ze boos is geworden op haar moeder, en dat ze er zelf helemaal mag zijn met al haar gevoelens en behoeftes, waar ze zelf voor kan zorgen.

S. merkt dat ze fysiek aan het aansterken is, alhoewel ze soms wel weer een terugval heeft.

P. is opener geworden en praat iets meer. Voor S. al een hele opluchting……. Ze zegt dat ze gelukkiger is dan vroeger. De tijd zal het leren.


© 2019 Het innerlijke kind - realisatie: BMT Media