LEZING ADULT ATTACHMENT THERAPY®

 

NOVEMBER 2015 OWC TE ANTWERPEN

 

INLEIDING

 

Hoe kan het toch, dat veel koppels elkaar niet begrijpen. En dit terwijl ze allebei er voor de volle 100% voor willen gaan?

Hoe komt het dat de ene persoon graag alleen wil zijn en de andere persoon er alles aan doet, om vooral niet alleen te hoeven zijn.

Hoe komt het dat de ene persoon een traumatische ervaring verwerkt, alsof er niet aan de hand is, terwijl de andere persoon er min of meer ziek van wordt?

 

NEUROFYSIOLOGIE

 

De groei van de hersenen begint al vrij vroeg in de embryonale fase. Vanaf de foetale fase ( ongeveer 14e maand), zijn alle structuren al min of meer gevormd, echter de onderlinge verbindingen mogen nog gelegd worden.

Kijken we naar de functies van de diverse hersengebieden, dan kunnen we deze onderverdelen in drie lagen. Dit noemen we het TRIUNE BREIN.

 

HET TRIUNE BREIN

 

 
 

 

Het triune brein bestaat uit drie onderdelen met elk hun eigen taal. Deze de evolutie bepaalde delen zijn:

1.      het reptielenbrein, overlevingsbrein: voor de primaire overlevingsdrang.

2.      het limbische systeem, het gevoelsbrein: voor onze emoties, onze persoonlijkheid en een deel van ons geheugen.

3.      de neocortex, het denkbrein: voor het bewust verwerken van informatie en stelt ons in staat rationeel te werken.

4.      De verschillende onderdelen van ons brein staan met elkaar in verbinding door middel van neuronen. Er zijn 100 miljard neuronen in ons lijf, die met elkaar een verbinding maken. Echter diezelfde neuronen kunnen in kernen beslissen of prikkels wel of niet worden doorgegeven.

 

Ad 1. Het reptielenbrein

 

       automatische reacties

       ze bepalen of we

       vechten

       vluchten

       aan de grond genageld blijven staan( bevriezen): hierbij zijn geen emoties of nadenken, het gebeurt reflexmatig

 

Evolutionair gezien is het reptielenbrein het oudste deel van ons brein. Het zorgt dan ook voor onze overleving.

 

Het reptielenbrein bestaat uit:

·         verlengde ruggenmerg

·         de hersenstam

·         kleine hersenen

·         thalamus

·         amygdala

·         pons

 

Dit deel van de hersenen is continu alert op de omgeving, of er gevaar heerst. Denkt dit hersendeel dat het kan winnen, zal het vechten, echter als het denkt te verliezen zal het vluchten. Is de aanval te overweldigend, komt het systeem tot de conclusie dat vechten en/of vluchten geen zin heeft,  dan zal het aan de grond genageld blijven staan, het bevriest.

Dit deel van de hersenen leert niet van fouten en zal niet voelen of denken. Het ontleent een zogenaamde veiligheid aan het vasthouden aan oude patronen. Immers, daarvan is al bekend dat het succes heeft en hoeft dus niet opnieuw een risico genomen te worden om opnieuw een positie in te nemen.

Binnen 1 seconde kan dit systeem in werking worden gezet en het duurt ongeveer 20 minuten alvorens het weer gekalmeerd is.

Zonder bewustwording en voelen kan dit breindeel alles overnemen en ons in netele posities brengen.

 

Hoe zien we aan ons gedrag dat dit deel actief is?

 

·         als we bij onze baas geroepen worden en we klappen dicht, kunnen geen woord meer uitbrengen

·         als  we een traumatische ervaring hebben gehad en we worden hierop getriggerd

·         als we in angsten leven, doodsangsten uitstaan, schuldgevoelens hebben

·         zich beledigd voelen, wrok ervaren, zich aangevallen voelen in woorden.

 

 

 

Ad. 2 Het limbische systeem

 

Onderdelen hiervan zijn:

  • Hypothalamus, deel van de thalamus
  • Amygdala
  • Hippocampus
  • Septum
  • Fornix

 

Verreweg het grootste deel van de verwerking van onze zintuiglijke indrukken in het limbisch systeem vindt plaats buiten ons bewustzijn. De informatie bereikt het limbisch systeem eerder dan de neocortex, waardoor wij ons pas bewust worden van deze indrukken, nadat zij al in het limbisch systeem zijn verwerkt, compleet met bijbehorende emoties. Met andere woorden: onze hersenen ‘voelen’ al voordat wij ons daarvan bewust zijn en bereiden ons al voor op gedrag voordat wij dat zelf weten. Dat gebeurt door de aanmaak van adrenaline en andere activeringshormonen of dopamine en endorfine (dissociatiehormonen) die ogenblikkelijk hun invloed doen gelden.

In het limbisch systeem zijn twee gebieden van belang bij de verwerking van emotionele gebeurtenissen. Het betreft de hippocampus en de amygdala, die naast elkaar gelegen zijn.

 

Hippocampus ( lange termijn geheugen, de informatie-opslag, de databank, het ophaalmechanisme)

De hippocampus brengt de gezamenlijke feitelijke indrukken in kaart en plaatst ze in een betekenisvol geheel. In deze samenhang slaat de hippocampus deze feiten op. Het goed functioneren van de hippocampus is noodzakelijk om een gebeurtenis onder woorden te brengen. De hippocampus stelt ons bijvoorbeeld in staat om te bepalen of de belevenissen kort of langer na elkaar hebben plaats gevonden en weten we of herinneringsbeelden bij elkaar horen of niet. De hippocampus zet de herinneringen en waarnemingen in een betekenisvolle context. Daarmee begrijpen we onder meer het verschil tussen gevaarlijke en ongevaarlijke situaties. Verder is de hippocampus, evenals de neocortex, in staat om impulsen te remmen. Een verminderd functioneren van de hippocampus kan ook leiden tot ongeremd, impulsief gedrag, heftige emoties en mentale verwarring. Ook overbeweeglijkheid en hyperactiviteit kunnen hiervan het gevolg zijn.

De hippocampus is van belang bij aangeleerde emoties geheugen en associaties.

De hippocampus en de amygdala kunnen elkaar beïnvloeden, en daardoor een emotie opwekken of versterken. De hippocampus kan ervoor zorgen dat de amygdala actief wordt op basis van een herinnering. Je kunt denken aan de volgende situatie; je bent gebeten door een hond, dat heb je opgeslagen in je geheugen. De volgende keer dat je een hond ziet haal je deze herinnering op, en stuurt de hippocampus een teken naar de amygdala dat het lichaam gereed moet worden gemaakt om te vluchten (je ervaart dit als angst).

 

De verschillende delen van het limbisch systeem worden allemaal actief tijdens het ervaren van de verschillende emoties. Alleen de emotie walging is een uitzondering, omdat hierbij vooral activiteit in de Insula gevonden wordt.

 

 

 

Amygdala( emoties)

 

Naast de hippocampus liggen de linker- en rechter amygdala. Zij zijn met elkaar verbonden en vormen samen het amygdalasysteem, ook wel de amygdala genoemd. De rechter amandelkern is vooral actief bij negatieve emoties als angst. De amygdala bepalen of de binnenkomende zintuiglijke indrukken belangrijk zijn of niet en koppelen er emoties aan, waardoor bepaalde indrukken gevoelens bij ons kunnen oproepen. De amygdala slaan dus gevoelsinformatie op. Als de hippocampus niet werkt, dan kan ons lichaam nog steeds heftig op een emotionele herinnering reageren. Onze amygdala vertonen deze reactie ook wanneer wij ons niet bewust zijn van de herinnering.

De amygdalakernen, het niet-bewuste geheugen, maken het mogelijk om gevoelens te herinneren en te ervaren, zonder dat wij weten waarom. De rechter amandelkern speelt vooral een rol bij angst en is als het ware een emotioneel alarmsignaal waarmee een vecht-vluchtreactie op gang gebracht wordt, met een verhoogde hartslag en bloeddruk, nog voor wij het gevaar gewaar worden. Dit gebeurt door de bijnieren adrenaline en noradrenaline te laten produceren, waardoor de toch al geactiveerde amygdalakernen nog meer gestimuleerd worden. Hierdoor worden de angstreactie en de in gang gezette activering extra versterkt. De amygdalakernen kunnen dus via het onbewuste geheugen allerlei lichamelijke reacties veroorzaken.

De amygdalakernen geven deze informatie door aan ons bewuste denken in de neocortex, maar omdat er meer verbindingen van de amygdalakernen naar de neocortex lopen dan andersom, heeft de neocortex met zijn gerichtheid op taal en logica en abstractievermogen relatief weinig invloed op deze gevoelens. Wanneer er zeer hevige emoties optreden, kunnen de amygdalakernen ook zorgen voor de productie van endorfine. Deze morfineachtige stof heeft een verdovende werking en speelt een rol bij dissociatie.

De amygdala koppelt de emotie aan een bepaalde stress, waardoor het de situatie de volgende keer sneller zal herinneren en dus effectiever zal reageren. De amygdala kan dus leren van uit de ervaringen.

Ook bepaald de amygdala welke herinneringen kunnen worden opgeslagen. De amygdala krijgt deze informatie vanuit de hippocampus.

De amygdala speelt een belangrijke rol bij de ervaring van angst.

 

 

 

 

 

Stuurwerking amygdala

 

Prof. Joseph LeDoux, neurowetenschapper, ontdekte, dat de amygdala een belangrijke rol speelt bij het verwerken van emotionele informatie aan de hersenen.  Dit model wordt het twee-route-model of wel het dual-route genoemd.

Informatie die de hersenen binnen komen kunnen langs twee routes verwerkt worden. Een lange route en een korte route.

Bij de korte route, wordt informatie die de thalamus binnen krijgt, meteen doorgegeven aan de amygdala, die het dan weer doorgeeft aan het lichaam. Uiteraard is er een tijdswinst bij de korte route, echter die route is vrij slordig in de verwerking van de informatie.

De langere route wordt gezien als langzamer, echter het gaat via het brein en is dus specifieker. Na de thalamus wordt de informatie naar de cortex gestuurd, die het gaat beoordelen. Vervolgens komt het weer terug bij de amygdala, en daarna volgt pas de reactie. 

 

Het nu van psychotherapie bij klachten rondom het voelen......

 

Joseph LeDoux heeft onderzoek gedaan naar de relatie tussen het emotionele en het cognitieve brein. Hij was een van de eerst die wist aan te tonen dat angst niet via de neocortex (het cognitieve brein) wordt aangeleerd. Hij liet een belletje rinkelen waarna ratten een klein stroomstootje (pijnprikkel) kregen toegediend. Zo gauw het belletje rinkelden verstijfden de ratten al, in afwachting van het stroomstootje. Net als mensen die in traumatisch gebeurtenis hebben meegemaakt, bleven de ratten ( zelfs maanden na het experiment) verstijfd van schrik zitten als het belletje klonk. Het is mogelijk deze ratten gedragstherapie te onderwerpen teneinde hun te leren niet meer bang te zijn voor het belletje. De ratten kregen een continue gerinkel van de bel te horen echter zonder dat dit werd opgevolgd door de stroomstoot. Op deze wijze kan men een geconditioneerde prikkel doen uitsterven (Pavlov). Het experiment werd nog verder uitgewerkt. Bij de bovenstaande ratten werd een deel van de neocortex operatief weggenomen. Na deze ingreep reageerden de ratten ineens weer op het belletje, precies als voor de “gedragstherapie”.

Dit onderzoek heeft uitgewezen dat het emotionele brein nooit angstgevoelens afleert. Als het cognitieve brein vernield wordt, of zijn werk niet goed doet of kan doen ( vermoeidheid, alcoholgebruik etc.) krijgt angst direct weer de overhand. Alleen bij therapie waarbij het emotionele brein behandeld wordt, wordt het limbisch systeem aangesproken zodat hiermee het cognitieve gedeelte daadwerkelijk goed kan functioneren.

 

Thalamus

 

Samen met de hypothalamus met daaraan de hypofyse, wordt het gerekend tot de tussenhersenen. Het is een, evolutionair gezien, zeer oude hersenkern ( net als het reptielenbrein).

De thalamus is het verbindingsstation van de hersenen. Hier wordt de informatiestroom tussen het perifere zenuwstelsel en de hogere lagen van de hersenen gecoördineerd. Onderdelen die zo verbonden worden zijn: het ruggenmerg, de basale ganglia ( reptielenbrein), de hypothalamus en het cerebellum en de neocortex.

De thalamus wordt dus meestal beschreven als het schakelstation naar de cortex. Zo treedt het dus op als filter voor de prikkels van buiten maar ook van binnen (je eigen lijf). Wat belangrijk is of waar de aandacht op is gericht, wordt uitgesorteerd en naar de cortex gestuurd, waar het in het geheugen wordt opgeslagen of doorgestuurd naar relevante gebieden (bv. de kleur van een bloem naar de visuele schors, of speldenprik naar de gevoelsschors). Alleen de geursignalen maken deze omweg niet. Ze gaan rechtstreeks naar het reukcentrum in de hersenschors. Dat zegt veel over het primair belang van geursignalen: eenmaal herkend (en geformatteerd) door de receptoren in de reukcellen, worden ze zonder omwegen naar de dichtstbijzijnde locatie gestuurd zodat de hersenen direct kunnen reageren in gevaarsituaties.

 

Ad. 3 De neocortex

 

 

In de neocortex vinden de hogere mentale activiteiten plaats, zoals abstract denken, logica, diepere betekenis en taal en wordt ook wel ons taalgeheugen genoemd.

De linker- en rechterhersenhelft hebben verschillende functies.

  • De linker is gespecialiseerd in taal en logica en is actief als wij positieve gevoelens ervaren. De linkerhersenhelft is ook actief als wij relativeren of in abstracte temen ergens over nadenken.
  • De rechter hersenhelft is actief bij negatieve emoties als angst en agressie en is in staat om onafhankelijk van de linkerhersenhelft te reageren op emotionele zintuiglijke indrukken. Deze helft speelt een prominente rol bij het ontstaan van fobieën en angst- en paniekstoornissen.

 

Bij verwerking van emoties is vooral het voorste deel van de neocortex actief. Alle gebieden en neurale netwerken staan met elkaar in verbinding en stemmen hun informatie op elkaar af door elkaar te activeren of af te remmen.

 

TRAUMATISCHE ERVARINGEN

 

Verreweg het grootste deel van de verwerking van onze zintuiglijke indrukken in het limbisch systeem vindt plaats buiten ons bewustzijn. De informatie bereikt het limbisch systeem eerder dan de neocortex, waardoor wij ons pas bewust worden van deze indrukken, nadat zij al in het limbisch systeem zijn verwerkt, compleet met bijbehorende emoties. Met andere woorden: onze hersenen ‘voelen’ al voordat wij ons daarvan bewust zijn en bereiden ons al voor op gedrag voordat wij dat zelf weten. Dat gebeurt door de aanmaak van adrenaline en andere activeringshormonen of dopamine en endorfine (dissociatiehormonen) die ogenblikkelijk hun invloed doen gelden.

In het limbisch systeem zijn twee gebieden van belang bij de verwerking van emotionele gebeurtenissen. Het betreft de hippocampus en de amygdala, die naast elkaar gelegen zijn.

Als we een ervaring meemaken, wordt hetgeen we opgedaan hebben van die ervaring opgeslagen in de hippocampus, zeg maat de database van ons brein.  De reden hiervan is, dat mocht iets dergelijks weer optreden, we sneller en efficiënter kunnen reageren. (We zien dat ook op fysiek vlak, waar de eerste keer de fysieke reactie op een wespensteek nog tamelijk gematigd kan zijn. Echter als het lichaam eenmaal weet hoe ermee om te moeten gaan, dat het bij een volgende steek een allergische reactie laat zien ( te grote reactie op een kleine steek).

Zo reageert ons brein ook. De eerste keer moet het nog leren, echter slaat die ervaring op. De tweede keer zal het efficiënter gaan reageren, dit alles om het organisme te beschermen.

De snelheid van reactie vindt dan plaats via de amygdala, die via de korte route snel en efficiënt gaat reageren. Er vindt dan een reactie plaats, zonder bewustzijn, omdat de neocortex niet is ingeschakeld.

Bij een trauma: ( een ervaring, waarbij het vechten en vluchten geen zin meer heeft. Dit omdat de prikkel te groot is voor ons vermogen om hierop te gaan reageren), zal het lichaam reageren met een bevriezing. Deze vindt plaats via de n. vagus.  De n. vagus laat ons reageren, net zoals het evolutionair reageerde bij de reptielen, namelijk bevriezen. Er is onmacht, onbeweeglijkheid, er wordt geen geluid gemaakt, de darmen en maag stoppen met werken ( of althans op een laag pitje),  en we voelen ons als verdooft.

 

Het reptielenbrein en de n. vagus

 

Als er gereageerd moet worden vanuit het reptielenbrein, moet dat snel een effectief gaan. Hiervoor is o.a. de n. vagus verantwoordelijk.

De n. vagus is de 10-de hersenzenuw  en we hebben een linker en rechter hersenzenuw.

De n. vagus geeft informatie door vanuit het lichaam naar de hersenen.

De n. vagus is een onderdeel van het parasympatische zenuwstelsel. Dit zenuwstelsel is actief als we in rust zijn. De n. vagus zorgt er dan ook voor, dat de hartslag vertraagt, de bloeddruk verlaagd wordt en activeert het maag-darmstelsel.

 

N. vagus en het autonome zenuwstelsel

Stephen Porges, psychiater en neurofysioloog, beschreef het Polyvagale systeem.

Naar aanleiding van deze theorie, beschreef Peter Levine, de grondlegger van de Somatic Experiencing,  de opdeling van het zenuwstelsel in drie belangrijke subsystemen:

·         de dorsale Vagustak: is de oudste van de drie subsystemen. De functie is immobilisatie en werkt in op de inwendige organen.  Denk hierbij aan het vrijkomen van ontlasting als een dier moet vluchten. Of an het “doodliggen” van reptielen als ze bedreigt worden.

·         Het sympatische zenuwstelsel: de functie is mobilisering en het verhogen van de activiteit. Het maakt het lichaam als het ware klaar voor de strijd. Dientengevolge richt het zich dan ook voornamelijk op de armen en benen. ( Vechten en vluchten).

·         De ventrale n. Vagustak: is het jongste van de drie subsystemen. Het stuurt sociale en hechtingsgedragingen aan.

 

De n. vagus is voor 10% efferent, dat wil zeggen, het loopt van de hersenen naar de inwendige organen toe. De dorsale tak gaat met name naar de inwendige organen onder het diafragma, de ventrale tak gaat met name naar de borstkas en de stembanden.

Voor 90% is de n. vagus afferent, dat wil zeggen, het ontvangt de prikkels van de inwendige organen en geeft die door aan de hersenen. Dus 90% van de n. vagus is sensibel, dus een gevoelszenuw.

Somatic Experiencing zegt nu, dat bij een trauma het autonome zenuwstelsel ( waar de n. vagus en de orthosympaticus onderdeel van uitmaken), verstoord is geraakt. Je zou kunnen zeggen, dat de verdediging defect is geraakt.

Door de hogere hersenlagen, wordt de in dit niveau opgebouwde spanning niet meer ontladen, zoals dat bij de dieren het geval is. Die schudden een keer en gaan verder. Door ons denken en het opslaan van ervaringen, geraken we vast te zitten in het veilgheidsproces. Er blijft een verhoogde prikkeling in het autonome zenuwstelsel ontstaan. En die prikkeling wordt in stand gehouden door het dichtklappen van de dorsale n. Vagustak.

Omdat de trauma-symptomen worden aangestuurd door dit autonome zenuwstelsel, heeft praten of bewust ontspannen geen zin.

 

 

DE GEBOORTE GEZIEN ALS TRAUMA

 

Welke trauma we meemaken, is niet zo belangrijk. Het is meer de fysiologische reactie die we meemaken, wat bepaald of iets een trauma is of niet.

Een kind dat geboren wordt, zal dit hoogstwaarschijnlijk ervaren als een trauma. En dan nog zeker, als er ingrepen plaats moeten vinden om de geboorte makkelijker te laten verlopen. Denk hierbij aan een geboorte met forceps ( lepels) of de zuigmethode, een stortbevalling, of een bevalling opgewekt met medicijnen. Alles geheel tegen de natuur in, maar soms noodzakelijk om moeder en kind te helpen.

Het kind kan geen kant uit en het neurologische systeem van het kind zal het ervaren als onveilig.

 

 

TROOST NA DE GEBOORTE

 

Wordt het kind dan meteen na de geboorte opgevangen door de moeder en op haar buik gelegd, dan komt het tot rust. Die rust zal zeker 20 minuten mogen duren. Er is huid huid contact tussen moeder en kind.

Ruiken: het kind ruikt meteen en kan op zoek gaan naar de tepel ( melk ruikt)

Voelen: het kind voelt de moeder. Oxytocine wordt aangemaakt en dit heeft een positieve invloed op de n. vagus, die in de dorsale tak veel receptoren voor die oxytocine heeft.

Smaak: voeding door middel van de melk.

 

HECHTING

 

 

HECHTINGSSTOORNIS EN HECHTINGSSTIJL

 

 

Voordat ik verder ga, wil ik duidelijk stellen, dat het in deze lezing gaat over hechtingsstijlen en niet over pathologische hechtingsstoornissen.

 

 

WAT IS HECHTING?

 

Hechting is het aangaan van een speciale relatie met de persoon die het kind meestal verzorgt. Dat is meestal de moeder, maar kan ook de vader zijn of zelfs een andere persoon ( denk aan nonnen, pleegouder ander familielid). Van belang is dat het steeds dezelfde persoon is.

De hechting is nodig om te ontwikkelen tot een emotioneel gezonde volwassene. Want de hechtingsrelatie dient als model voor de relaties die het kind in zijn verdere leven aangaat.

 

John Bowlby, de grondlegger van de hechtingstheorie, zegt dat gehechtheid niet het gevolg is van ouderlijke zorg, maar dat het een aangeboren behoefte is van ieder kind. Het gedrag van het kind lokt nabijheid, bescherming en verzorging uit. Als ouders/verzorgers hier responsief op reageren, draagt dat bij aan een veilige hechting.

Niet elk kind dat onveilig gehecht is, heeft dan gelijk een hechtingsstoornis. In cijfers: zo’n 25 tot 30% van de bevolking heeft in meer of mindere mate hechtingsproblemen, ongeveer 1% heeft een hechtingsstoornis.

 

 

 

 

KINDEREN MET EEN HECHTINGSSTOORNIS:

 

Kinderen met een hechtingsstoornis worden – naast het hierboven genoemde onderscheid – ook wel verdeeld in twee types: geremd en ongeremd.

 

 

 

Kenmerken van kinderen met een GEREMDE HECHTINGSSTOORNIS:

 

·         Overdreven waakzaam.

·         Reageert afwijzend op sociaal contact.

·         Teruggetrokken en lusteloos.

·         Apathisch, onzeker en huilt niet.

·         Het kind speelt mee zonder plezier.

·         Lijkt op Autisme Spectrum Stoornis. Daarom moet ASS eerst uitgesloten zijn voordat een kind getest wordt op een hechtingsstoornis.

 

Kenmerken van kinderen met een ONGEREMDE HECHTINGSSTOORNIS:

 

·         Zoekt veel contact, is een allemansvriend.

·         Is niet in staat om relaties in stand te houden.

·         Grensoverschrijdend gedrag.

·         Snel gefrustreerd.

·         Laat zich niet troosten.

·         Leert weinig uit ervaringen.

·         Is egocentrisch, er is weinig wederkerigheid.

·         Druk, impulsief en ongeconcentreerd.

·         Lijkt op ADHD. Daarom moet ADHD eerst uitgesloten zijn voordat een kind getest wordt op een hechtingsstoornis.

 

TYPES HECHTINGEN en de rol die de ouders daarin spelen.

 

De manier waarop de ouder de behoeftes van het ( getraumatiseerde) kind leest en daaraan gehoor geeft, zal bepalen in welke hechtingsstijl dat kind beland.

 

 
 

 

Mary Ainsworth ontdekte in de Strange Situation Test, dat er verschillende hechtingsstijlen waren, ieder met de eigen karakteristieken. Ze deelde deze in in categorie A-B en C. Mary Main ontdekte later de vierde vorm en noemde deze type D. Hieronder is deze indeling overgenomen. Het zijn allemaal hechtingsstijlen en de ene is niet beter of slechter dan de andere. Ken er dus geen waarde aan. Het is gewoon wat het is. Alleen als je je in een bepaalde hechtingsstijl niet comfortabel voelt, kan je eraan werken.

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                             

 

 
 

Type A: de (onveilige) vermijdende hechtingsstijl: Het kind ervaart dus geen liefde, maar kou. De ouders pushen de kinderen ten bate van de eigen behoeftes ( van de ouders). Alice Miller beschrijft dit als het kind als uithangbord van de ouders om te laten zien hoe goed die het wel niet doen. ( Drama van het begaafde kind). Financieel en materieel zit het hier meestal wel goed, maar liefdevolle warmte en koestering is meestal ver te zoeken.

 

 

 
 

 

Type B: de veilige hechtingsstijl: Het kind ervaart de liefde. Het mag zijn zoals het is en de ouders zien de behoefte van het kind en reageren hier adequaat op. Hierdoor leert het kind dat het er mag zijn ( krijgt een positief zelfbeeld). De volwassen ouder kent zijn/haar eigen noden en behoeftes en wentelt die niet af op het kind, maar zorgt er zelf voor.

 

 

 

 

 
 

 

Type C: de angstig ambivalente hechtingsstijl: Het kind ervaart geen liefde. Het ene moment is er de hemel en het andere moment is er de hel. Er kan veel warmte gegeven worden door de ouders, echter op een ander moment zijn ze in het geheel afwezig ( soms buiten hun schuld om, zoals scheidingen en sterfgevallen). Het kind weet niet waar het aan toe is en zoekt hopeloos naar de liefde die er niet echt is. Het kind kan niet vertrouwen in de ouder. Het kind gaat in angsten leven. Dit zie je veel bij ouders die aan de drank zijn of op een andere manier verslaafd zijn. Het kind heeft als het ware een mededinger ( die verslaving). Het kind doet zijn/haar best om die liefde zeker te stellen. Is jaloers ( op de verslaving) en claimt de liefde. Echter veel vertrouwen heeft het er niet in.

 

 

 

 
 

 

Type D:  de gedesoriënteerde hechtingsstijl: Het kind heeft een verkeerd voorbeeld voor wat betreft de ouders. De ouders zijn niet te vertrouwen en maken het kind zelfs bang. Het kind volgt slaafs de opdrachten van deze ouders. Verwaarlozing en misbruik kan hierbij plaats vinden.

 

 

HECHTING OP VOLWASSEN LEEFTIJD

 

Onderzoekers hebben aangetoond, dat als de hechting niet veilig was op kinderleeftijd, dat die dan op volwassen leeftijd ook niet veilig is en dat de persoon zijn/haar gedrag hieraan aan past. Zo zal de angstig-ambivalente kinderhechting zich uiten in een gepreoccupeerde hechtingsstijl op volwassen leeftijd, waarbij de jaloezie, gevoel tekort te komen, claimend gedrag hetzelfde blijft.

Zo ook de vermijdende hechting op kinderleeftijd, die zich uit in vermijdend gedrag op volwassen leeftijd.

 

UITSPRAKEN VAN VOLWASSENE MET EEN BEPAALDE HECHTINSSIJL

 

Hieronder staan een aantal uitspraken die de verschillende mensen met de verschillende hechtingsstijlen kunnen doen:

 

VEILIGE HECHTING

 

Bij een veilige hechting,  is er een lage vermijding ( dus ouders waren er voor je), en een positief zelfbeeld ( immers, de ouders luisterden naar jou en jij deed er toe). Je zal je als volwassene gemakkelijk voelen in intieme situaties en je zal autonoom reageren.

Een veilige hechting heeft dus een positief zelfbeeld en een positief beeld van de andere.

(Ik ben oké, jij bent oké).

 

Uitspraken VEILIGE hechtingsstijl:

·         ik voel me op mijn gemak in emotionele relaties

·         ik kan goed omgaan met emoties van anderen

·         ik vertrouw anderen en vindt het fijn wanneer anderen op mij kunnen rekenen

·         ik vind het gemakkelijk o een hechte band met anderen aan te gaan

·         ik voel me op mijn gemak in vertrouwelijke relaties

·         ik vind het belangrijk dat mensen op elkaar kunnen rekenen

·         ik vertrouw erop wanneer anderen er zijn wanneer ik ze nodig heb

·         ik maak me er niet overdreven zorgen over, of anderen me aardig vinden.

 

ONVEILIGE HECHTING – GEPREOCCUPEERD

 

Bij een gepreoccupeerde ( je bent er steeds mee bezig/ angstige hechtingsstijl) hechtingsstijl, zal je een lage vermijding hebben, je legt gemakkelijk relaties, echter er zit veel angst bij. In de kindertijd waren ze angstig/ambivalent. Angst dat de andere weg zal gaan ( je hebt het immers geleerd, dat je ouders vaak niet beschikbaar waren als je ze nodig hebt). Deze mensen zullen binnen de relaties dus veel bezig zijn met wat die andere wel niet zal doen en of die andere wel bij je blijft. Dit kan soms ziekelijke vormen aannemen als controle willen uitoefenen over je partner, uit angst dat die weg zal gaan. Het wrange is echter, dat die persoon dan juist soms weg gaat, omdat die de halsband die hij om krijgt, niet meer tolereert.

Er is hierbij dus een gemak aan contact maken, maar het zelfbeeld is bijzonder laag, waardoor men denkt die andere niet bij zich te kunnen houden.

De gepreoccupeerde hechtingsstijl heeft dus een positief beeld van de andere en een negatief zelfbeeld. Ze zijn meer met zichzelf bezig dan met de wereld.

 ( ik ben niet oké, jij bent oké).

 

 

Uitspraken GEPREOCCUPEERDE hechtingsstijl:

 

·         ik vraag me vaak af of anderen me wel aardig vinden  ( – /+)

·         ik heb het gevoel dat ik anderen meestal aardiger vind dan anderen mij aardig vinden

·         ik ben vaak bang dat anderen me niet mogen

·         ik ben bang in de steek gelaten te worden

·         ik vind het belangrijk of anderen mij aardig vinden

·         ik vind anderen meestal interessanter dan mezelf

 

 

ONVEILIGE HECHTING – VERMIJDEND

 

 

Bij een vermijdende hechtingsstijl,  is er een positieve kijk op zichzelf. Er is weinig angst, echter het vertrouwen in die andere is bijzonder laag. Men gaat weinig of geen intimiteit aan. Wel oppervlakkige seks, echter niet op hartsniveau. Deze mensen leven wat op zichzelf en maken slecht contact. Ze weten het allemaal wel en laten anderen slecht toe binnen de intieme sfeer van zichzelf.

De vermijdende hechtingsstijl heeft dus een positief zelfbeeld en een negatief beeld van de andere. Ze zijn meer met de omgeving bezig dan met zichzelf.

( ik ben oké, jij bent niet oké).

 

 

 

Uitspraken VERMIJDENDE hechtingsstijl:

 

·         ik wil graag open zijn naar anderen, maar ik merk dat ik anderen niet kan vertrouwen

·         ik wil graag hechte banden met anderen, maar ik vind het moeilijk anderen volledig te vertrouwen

·         ik ben bang dat ik bedrogen uitkom, wanneer ik te hecht word met anderen

·         Ik durf niet zo goed hechte relaties aan te gaan, omdat ik bang ben gekwetst te worden

·         ik ga uit angst relaties uit de weg

 

 

ADULT ATTACHMENT THERAPY®

 

 

En dan ben je geboren, hebt een veilige of onveilige hechtingsstijl meegemaakt en hiernaar gaan handelen en stapt als volwassen het leven in. Je kan dan heel gelukkig zijn en er is niets aan de hand. Echter bij ene grot deel van de mensen is eer wel wat aan de hand. Ze krijgen een partner en aanvankelijk gaat het goed, echter zoals ze gehecht zijn, zo functioneren ze ook.

 

Laten we de A en de C categorie van Ainsworth er eens bij nemen.

 

De A-categorie houdt van op zichzelf zijn, wil zijn eigen wereld creëren en houdt er niet van dat de mensen te dichtbij komen. Deze persoon is graag op zichzelf en wil zelf het initiatief nemen om dichterbij te komen. Heeft graag de leiding en houdt niet van onverwachte dingen.

De C-categorie wil contact maken, wil liefde ervaren en wil gezien en gehoord worden in haar/zijn behoeftes. Die liefde is al eens afgepakt, dus deze persoon zal er alles aan doen om het weer terug te krijgen. En de manier waarop is claimen, eisen en de strategie van “het meer is niet vol genoeg”........

 

En dan het “lot”: juist deze twee categorieën zoeken elkaar op in een relatie. In mijn praktijk zie ik regelmatige en A en C om advies vragen.  Het fnuikende is nu echter, dat ze allebei redeneren en voelen en denken vanuit een tekort. Een tekort aan liefde. De een heeft het nooit gehad en de andere is het kwijt geraakt. Dus ze zoeken buiten zichzelf naar iets bij hun partner, waarvan die partner zelf ook niet genoeg heeft.....lekker stel...... En wat gebeurt er dan vaak: ze gaan uit elkaar. Het werkt niet, wordt er dan gezegd. We gaan als vrienden uit elkaar. En ze gaan op zoek naar een nieuwe partner, en ja hoor, weer uit diezelfde categorie.......

 

Hoe is dit nu op te lossen? Wel, het gaat er niet om dat men  BUITEN zichzelf zoekt.  Want daar zullen ze het nooit vinden. IN zichzelf zit de oplossing. Teruggaan naar de plek en de tijd waar ze de liefde voor het eerst nodig hadden en er dan achter komen dat die liefde al die tijd in hunzelf zat. Ze mogen ervaren dat ze niet afhankelijk hoeven te zijn van die andere, maar dat ze die liefde ook zichzelf kunnen geven. Hierbij worden ze dan ondersteund door het feit, dat ze in het hier en nu Volwassen  zijn. En het is nu juist deze Volwassen die hen uit het behoeftig Kindsdeel kan halen.

De Volwassene kan aangeven waar het nood aan heeft en simpel vragen aan die andere.

De voorwaarde is dan wel dat zowel de C als de A zich bewust mogen zijn van hun eigen gedragingen.

De A mag zich bewust bezig houden met: wat heeft mijn partner nodig en wat kan ik uit liefde voor die partner voor hem/haar doen. Dat is soms lastig voor die A, echter als hij/zij de ruimte krijgt, komt dat gevoel vanzelf. Want die Volwassene in die A zal aangeven dat er gewerkt mag worden aan de liefde ( Guus Meeuwis: Liefde is een werkwoord). 

De C mag zich bewust zijn van haar/zijn eigen noden, en nadat haar/zijn partner daar niet verantwoordelijk voor is of zelfs maar hoeft in te vullen. C mag zijn/haar eigen noden invullen. De partner kan daartoe wel bijdragen, echter door te claimen wordt de liefde uit het spel gehaald en wordt het werken. (Echter niet aan de liefde). Wat dan wel, C mag geduld gaan uitoefenen. C mag erop vertrouwen dat A komt en dan zal het liefdesspel mooier zijn dan ooit. Dit brengt C naar de plek waar het pijnlijk is, waar de bron van die pijn zit: de eigen tekort/gemis in de kinderjaren. En C mag hieraan gaan werken. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden als Bondingtherapie, EMDR en Adult Attachment Therapy®

 

 

 

HOE KAN JE AAN HET HERSTELLEN VAN EEN ONVEILIGE HECHTING WERKEN?

 

Oké, en dan weet je wat voor hechtingsstijl je hebt en dan zit je met die kennis. En wat dan? Praten met psychologen heb je soms al jaren gedaan, echter naast inzicht heeft dit soms niet veel veranderd. Het was heerlijk eens je hart te luchten, maar soms heb je het gevoel geen stap verder gekomen te zijn.

Zoals hierboven aangegeven zit het hechtingsmodel in ons brein in het limbische systeem. Het gevoelssysteem. Ook het reptielenbrein doet er zijn duitje bij in het zakje. Je bent je er soms niet bewust over wat er zich afspeelt, hoe kan je dat dan veranderen? Je mag het gaan voelen, maar hoe dan?

 

Een van de oplossingen kan  Adult Attachment Therapy® zijn.

Hierbij wordt er gebruik gemaakt van datgene wat een kind nodig heeft. In een soort regressievorm wordt je terug gebracht naar de tijd dat je klein en afhankelijk was. Je zal je letterlijk klein voelen en zal de aandacht en liefde van de ouder, die er vroeger niet was geweest, mogen her-voelen en her-ervaren. Op die manier leert het limbische systeem ( met name de hippocampus en de amygdala), dat de liefde en de veiligheid er wel voor je is en dat je die liefde in het hier en nu kan ervaren.

Dit is dus een zeer ervaringsgerichte therapievorm. Hierbij zijn het vertrouwen ( waar eerst intens aan gewerkt wordt) en de veiligheid ( de Volwassene in de cliënt beslist wat er gaat gebeuren), de belangrijkste onderdelen zijn, waar deze vorm van therapie op gestoeld is.

 

Hoe wij dat en wat Adult Attachment Therapy in de praktijk inhoud, kan je verder lezen op de website www.hetinnerlijkekind.be .

 

 

 


© 2019 Het innerlijke kind - realisatie: BMT Media