ADULT ATTACHMENT THERAPY®

 

 

Theorie

 

 

David J. Wallin: “... lichamelijke nabijheid, onontbeerlijk voor het voortbestaan van het jonge kind, kan vaak als een emotionele noodzaak worden ervaren door oudere kinderen en volwassenen”.

 

 

Hoe het begon

 

Sinds 2000 ben ik werkzaam als Innerlijke Kindtherapeut. Ik kom met veel mensen in aanraking die al een heel circuit achter de rug hebben om met hun eigen problematieken aan de slag te gaan. Vele vormen van psychologie, cognitieve therapie en psychotherapie hebben deze mensen soms al achter de rug. En toch blijven deze mensen zoeken. Zo komen ze soms in hun zoektocht bij mij. Niet dat ik nu zo bijzonder ben, maar ik praat (na de intake) niet standaard met mijn cliënten. Ik laat ze dingen voelen, doen en ervaren. Ik raak ze aan (wat voor mij met een achtergrond als fysiotherapeut gemakkelijker is dan iemand die alleen op cognitief vlak is “opgevoed”). Tot mijn verbazing reageren een deel van mijn cliënten zeer snel en positief op de behandeling die ik aanbied.

Een ander deel van mijn cliënten vertonen een grote weerstand voor aanraking. Na elke sessie worden de cliënten uitgenodigd een verslag te schrijven over hun bevindingen. Daarin staan woorden als:

·“met zevenmijlslaarzen door de problemen heen”

·“welke medicijn heeft hij jou gegeven, je bent zo anders…” (opmerking van

  partner)

·“eindelijk een therapie waarvan ik voel dat zij werkt”

·“ik word er zo rustig van”

·“ik kom zo tot mijzelf”

·“ik voel niet veel, maar toch merk ik dat er iets aan het veranderen is, en dat al na de derde sessie. Dat verbaast me. Ik kom al vier jaren bij een psycholoog en daar voelde ik nooit wat...”

·etc.

 

Let wel, dit is niet bedoeld om mijzelf hiermee een veer op mijn hoed te zetten, maar het is gewoon de ervaring van elke dag.

Nu heb ik geen wetenschappelijke achtergrond, ik ben geen hoogleraar doctor of iets dergelijks en ik heb geen universiteit achter de rug. Kortom, ik behoor tot de groep “alternatieve genezers”, waarvan de definitie is: “degenen die met de mensen iets doen waarvoor geen universitaire opleiding is”.

Ik studeerde en studeer nog steeds over die onderwerpen welke met het Innerlijke Kind en hechtingsproblematiek te maken hebben. Ik praat erover met psychologen, psychiaters en psychotherapeuten, die mij weer inspireren naar bepaalde aspecten van de behandeling te kijken.

Maar het zijn juist mijn cliënten die mij de moed geven om door te gaan op deze ingeslagen weg. U vraagt de reden? Wel het werkt, en dan mogen de geleerden de theorie er bij zoeken. Hier is al vast een bescheiden voorproefje.

 

De ontwikkeling van de gehechtheidstheorie

 

De Britse psychiater John E. Bowlby onderkende halverwege de vorige eeuw dat, wil een kind goed en zich veilig voelend opgroeien, het een goede hechting moet hebben met zijn moeder. Ik gebruik hier de term moeder, maar het kan net zo goed de vader zijn. De moeder is echter logischer, omdat ze het kind al 9 maanden met zich meegedragen heeft en het kind haar als het ware al kent.

Gedurende de eerste 9 maanden na de geboorte is er dan ook een gezonde psychologische symbiotische relatie tussen de moeder en het kind.

Pas na die 9 maanden komt de vader erbij en gaan ze een driehoeksverhouding aan. De kwaliteit van die driehoeksverhouding is echter wel afhankelijk van de liefdesrelatie tussen de ouders onderling. Het kind gaat zich rond die tijd dus ook hechten aan de vader op aangeven van de moeder.

 

Het hebben van een goede hechting met de ouder is lang niet altijd het geval. Rond de 30 – 40% van de kinderen heeft een niet-veilige hechting.

 

Met behulp van de ‘Vreemde-Situatie-Test’ ( Strange Situation), heeft de psycholoog Mary Ainsworth (1978) drie stijlen van gehechtheid bij kinderen kunnen onderscheiden:

·Type A: (onveilig) vermijdende hechtingsstijl  (± 20% voorkomend)

·Type B: veilige hechtingsstijl  (± 60 – 70% voorkomend)

·Type C: (onveilig) angstig –ambivalente hechtingsstijl  (± 15% voorkomend)

 

Later heeft haar collega Mary Main er een vierde aan toegevoegd:

·Type D: (onveilig) ongeorganiseerde / gedesoriënteerde hechtingsstijl  (± 5% voorkomend).

 

Dat houdt dus in dat ongeveer een derde van de mensheid een onveilige hechtingsstijl heeft en daardoor in zijn sociaal-emotioneel functioneren niet zijn volle potentiaal beleeft. Die groep is dus belemmerd/onvrij en ontwikkelt een vorm van niet goed functioneren, welke zijn oorzaak heeft in de eerste drie levensjaren. Deze mensen worden wel volwassen en zullen dit dus met zich meedragen. Ze zijn niet ziek, functioneren normaal, zijn soms directeuren van grote bedrijven maar hebben soms het gevoel niet helemaal goed in hun vel te steken. Een deel daarvan zal naar hulp zoeken en dus terecht kunnen komen bij psychologische hulp. En al degenen die een slechte hechtingsstijl  hebben ontwikkeld en zelf weer kinderen krijgen, zullen die slechte hechtingsstijl  waarschijnlijk weer doorgeven. Immers, wat je niet kent, kan je niet doorgeven.

Ook wil ik op deze plek een andere categorie naar voren brengen: de mensen die aanvankelijk een veilige hechtingsstijl ontwikkeld hadden, simpelweg omdat hun ouders op dat terrein goed waren, maar bij wie door een traumatische ervaring, als bijvoorbeeld het wegvallen van één van de ouders, de hechtingsstijl veranderde. Ik lees dit niet in de literatuur, doch heb in mijn praktijk wel enkele cliënten ontmoet die hiermee te maken hebben gehad.

 

 

Wat doet een psycholoog?

 

Een psycholoog werkt met je innerlijke denk- en gevoelswereld en kan daarbij geweldige resultaten boeken en steun verlenen aan de cliënten. De wereld van het innerlijke van het brein is echter niet te meten of te waarderen. De enige manier om met deze innerlijke wereld in aanraking te komen is door middel van de cliënten. De psycholoog luistert naar wat ze vertellen, kijkt naar hoe ze zich gedragen, naar wat ze denken en hoe ze zich voelen en dit kenbaar maken. Als de psycholoog al die informatie heeft ingewonnen, zal hij je helpen.

 

Binnen de psychologische wereld wordt er gebruikt gemaakt van drie mogelijkheden om de cliënt te helpen:

1. de inzichtelijke psychologie: de psycholoog praat  met de cliënt en die komt achter de reden waarom er iets is of juist niet is. Hierdoor kan er iets veranderen.

2. de ervaringsgerichte psychologie: de psycholoog laat je dingen doen waardoor je ervaart hoe je dingen in je leven kunt veranderen.

3. de therapie met hypnose: dit is een hulpmiddel waarmee het onbewuste wordt geactiveerd, waardoor er veranderingen kunnen optreden.

 

Welke vorm een psycholoog ook kiest, het komt in al de drie gevallen neer op inzicht, perspectief, mogelijkheden en leren voelen. De psychologie werkt dus voornamelijk met het cognitieve deel van de hersenen, de neocortex  en poogt via die weg het gedrag en de gevoelens welke door het limbische systeem en het reptielenbrein worden aangestuurd, te beïnvloeden. (voor meer info over de neocortex, het limbische systeem en het reptielenbrein zie ‘De ontwikkeling van het brein’)

De psycholoog zal dus veel met je gaan praten. Die sessies duren gemiddeld rond de 45 minuten en vinden doorgaans wekelijks plaats. Het is moeilijk je bewust te worden van je gevoelens en die dan onder woorden te brengen omdat zij voornamelijk in een ander deel van je hersenen zitten (limbische systeem) dan het taalcentrum. Daardoor kan het voorkomen dat een psycholoog jaren met je bezig is. Ik heb cliënten in behandeling die tot 20 jaar wekelijks bij een psycholoog zaten om te praten over hun gevoel.......

De bekende psychotherapeut/psycholoog David J. Wallin beschrijft in zijn boek “Gehechtheid in psychotherapie” hoe hij een aantal patiënten al jaren in behandeling heeft en soms niet bij het gevoel van die cliënt komt. 

 

 

De ontwikkeling van de taal

 

Heel in het kort wil ik op deze plek graag de ontwikkeling van de taal bij het jonge kind beschrijven omdat een goed inzicht hierin belangrijk is om de ADULT ATTACHMENT THERAPY® te begrijpen.

Voordat het kind kan praten uit het zich door middel van emoties. Huilen is een vorm waarin het kind kenbaar maakt dat er iets mag gebeuren. Dit huilen is echter nog niet een psychologisch taalgedrag. Het is meer een reflex, welke wordt uitgelokt door een prikkel (honger, kou, pijn of iets dergelijks) en in het reptielenbrein zijn oorsprong vindt.

De Leuvense taalkundige Annemarie Schaerlaekens onderkent dat er een periode is, waarin de taal nog niet gebruikt wordt. Ze noemt dit de prelinguale periode. Deze periode loopt door tot de 10-de tot 12-de maand.

Daarna begint het kind te “praten”, al weet het zelf niet altijd de betekenis van de woordjes. Het heeft dan als het ware de klanken van de ouders nagebootst. En zegt het dan “mama” en krijgt het een positieve feedback (de mama lacht en knuffelt en is blij), dan zal het kind de koppeling leggen van mama = blije gedrag anderen. En zo leert het dat mama bij die vrouw hoort en dat dat een fijn gevoel geeft (limbische systeem) .....

Het zal tot het 4-de levensjaar duren, alvorens het kind duidelijke zinnen kan maken en enigszins kan communiceren.

De communicatie tussen het kind en zijn omgeving vindt dus meer plaats met energie, gedragingen en emoties. Als er iets is ( bijvoorbeeld angst), dan zal het kind daarop reageren met emoties en deze ervaringen opslaan in dat deel van de hersenen dat met de emoties te maken heeft.

 

 

De ontwikkeling van het brein

 

In feite worden we geboren met een brein dat nog lang niet klaar is. Weliswaar zijn alle neuronen aanwezig, de koppelingen tussen de diverse onderdelen mogen echter nog plaats vinden. We zouden dit het “leren” kunnen noemen. Idealiter zou dit “leren” in de baarmoeder mogen plaats vinden maar dan zou het geboortekanaal, ten gevolge van de grootte van het hoofd, zo groot moeten zijn, dat het niet ter verenigen is met de normale anatomie. Daarom heeft de natuur ervoor gekozen de verdere groei buiten het lichaam te laten plaats vinden.

In het hoofd zitten dus al de neuronen ( “nature en door uitwisseling met de omgeving vindt er de groei plaats (het leerproces, “nuture”).

En van wie kan het kind die groei leren? Jawel, van de ouders. Het volwassen brein van de ouders neemt het onvolwassen en onvolgroeide brein van het kind bij de hand en leert het hoe te leven.

Er vindt een ontwikkeling plaats, parallel aan de evolutie:

·eerst komt het overlevingsbrein aan bod: hersenstam en kleine hersenen die samen het reptielenbrein vormen.

·daarna het gevoelsbrein: het limbische systeem

·tenslotte het denkbrein: de hersenschors of neocortex.

 

De taal van elk van die onderdelen is anders. Het denkbrein kent de woorden, de hechtingsstijlen behoren tot het limbische systeem terwijl het reflexmatige huilen en stressreacties  horen tot het overlevingsbrein.

 

Onze hersenen ontwikkelen zich in een bepaalde flow. Ze passen zich aan en zijn flexibel. Dit laatste is nodig om met de veranderende omgeving om te gaan.

 

brein

alternatieve naam

functie

taal

reptielenbrein

overlevingsbrein

sensaties registreren en stressreacties handelen

warmte, hartslag horen, huidcontact, wiegen, strelingen, vasthouden.

limbische systeem

zoogdierenbrein/gevoelsbrein

emoties, voelen, relaties

voelen

neocortex

mensbrein/ denkbrein

inzichten

inzichten, gesproken taal

 

Elk deel van ons brein heeft dus een eigen taal en kan alleen communiceren via die specifieke taal.

Door ontmoeting tussen twee breinen, de (vnl. prefrontale ) cortex van de ouder en het zich ontwikkelende brein van het kind wordt een optimale activatietoestand bereikt, welke bij het kind leidt tot een goede zelfregulatie. Zo vindt de neurale integratieve ontwikkeling of hechting plaats.

Hechting gebeurt dan ook niet met woorden via de neocortex,  maar met taal van overlevings- en gevoelsbrein: warmte, hartslag horen, huidcontact, wiegen, aaien, vasthouden etc.

En juist deze taal proberen we bij de ADULT ATTACHMENT THERAPIE® te spreken.

 

 

Wat voor ervaringen doen baby's op?

 

De pasgeborene is erg afhankelijk van zijn omgeving. Hij heeft de opvoeder nodig om te overleven. De natuur heeft het echter zo gemaakt dat het kind alle kansen heeft om te overleven:

·de natuur heeft het kind grijpreflexen gegeven om zich aan de huid/kleding van de moeder vast te grijpen.

·De natuur heeft het kind het reukzintuig gegeven opdat het de melk kan ruiken die uit de tepel kan komen.

·Het kind kan horen en voelen en na verloop van tijd steeds beter zien opdat het van de moeder kan leren hoe de omgeving er voor staat: is het veilig of niet?

 

 

Hoe leren de baby's wat veilig is en wat niet?

 

Stel: er is een harde klap, bijvoorbeeld een deur slaat dicht. Het kind ligt op de buik van de moeder en hoort haar hart, ruikt haar zweet, voelt haar huid ( droog of klam van angstzweet), voelt de tonus (spanning) van de spieren en merkt in feite dat de moeder nergens op reageert. De deur wordt waargenomen, maar de moeder rent niet weg, is niet bang of de moeder gaat niet vechten. De manier waarop het kind de moeder waarneemt in de vorm van geur, hartfrequentie, spiertonus, vochtgehalte huid etc., blijft onveranderd. Het kind leert dan op dat moment: “Een dichtslaande deur betekent geen gevaar.”

Een volgende keer zal het minder angstig reageren... het kind leert. Er worden verbindingen in de hersenen gelegd. De amygdala slaat in zijn geheugen op: “Een dichtslaande deur betekent niet dat ik hard moet weglopen.”

Dit leren kan echter alleen zo plaats vinden indien het kind dicht bij de moeder is. Ik ben dan ook een groot voorstander van een draagdoek, waarin het kind het grootste deel van de dag bij de ouder is. En als er dan al de keuze is, is huid-huidcontact in mijn opinie het beste.

Maar wat is de werkelijkheid? We stoppen het kind in een bedje, alleen op een kamer met een babyfoon. We rijden ze in een kinderwagen, soms met het gezicht van ons af: “Kunnen ze lekker rondkijken.” We leggen ze neer in een box en lopen dan af en toe de kamer uit of werken achter de computer, we brengen ze al zeer snel naar een kindercrèche, waar vreemde mensen zich om hen moeten bekommeren (en ga zelf maar na hoeveel “contact” daar is).

Er is op die manier dus weinig (huid-)contact met de baby. Het kind zal bij een harde klap niet goed kunnen inschatten of het gevaar loopt of niet. Het kind moet het doen met slechts een deel van de signalen die het normaliter bij de moeder zou kunnen opvangen. Het kind zal het dus zelf moeten opknappen. Zo heeft de natuur het echter niet bedoeld. Je kan je dus afvragen wat hiervan de gevolgen kunnen zijn…

 

 

Wat als de moeder voelde wat de baby nodig had ( sensitiviteit) ?

 

Dan is er een grote kans op een veilige hechting. Het kenmerk van een veilige hechting is dat de ouders/opvoeders er daadwerkelijk voor de kinderen geweest zijn. Dus: huilt het kind, dan reageert een opvoeder met liefde op een adequate manier.

Vanuit sommige bronnen komen er dan geluiden als: “Ja, je verwent ze teveel”, of: “Het kind maakt misbruik van de situatie.” Nou, volgens mij is die kans erg klein. Naast het feit dat de natuur het zo bedoeld heeft, kán je een kind tussen 0 en 3 jaar niet verwennen. Ze hebben dan nog niet de volledige cognitieve ontwikkeling om een ander te kunnen manipuleren. Wat er wel kan gebeuren is dat ze gewend raken aan bepaalde (aangename) prikkels en die dan willen opzoeken. Maar dat is geen verwennen.

Die kinderen willen gehoord en gezien worden in hun behoefte en dat vormt de basis voor hun veiligheid. Immers, het volwassen brein mag het kindbrein leren zichzelf te reguleren. En als er geen reactie komt op de prikkels, loopt het fout en gaan er schadelijke interne overtuigingen lopen bij het kind. Immers, dat heeft geen positieve ervaring opgedaan, dus kan het ook niet weten...... maar wat als de ouders het ook nooit geleerd hebben, wat kunnen ze dan doorgeven? Hierover later meer.

Het is het recht van de baby om gehoord en gezien te worden, 24 uur per dag 7 dagen in de week. Vaak gebeurt dit echter niet en worden ze, zoals ik hierboven ook al aangaf, “opgesloten” op hun kamertje met een babyfoon aan hun zij of met een fopspeen in de box gelegd terwijl mama achter de computer aan het werken is of op zeer jonge leeftijd al bij een oppasouder “gedumpt', terwijl dan de ouders weer geld kunnen verdienen. In onze consumptiemaatschappij kan het helaas vaak niet anders en zien we soms ook de kansen niet om het anders te doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cirkel van veiligheid en vertrouwen

(Bron: G. Cooper, K. Hoffmann, R.S. Marvin & B. Powell ( 2002) ( vertaald door C. Schuengel)

 

 

 

In dit kader wil ik hier even een aantekening maken rondom de veiligheid die we een kind kunnen geven. Het mag veilig zijn en liefdevol, wat ook terug te vinden is in de circle of security. Vanuit een veilige haven kan je het kind de ruimte geven, je mag echter wel altijd in contact met het kind zijn. Op die manier stimuleer je het kind de omgeving te gaan verkennen, de wereld, echter altijd met dat gouden koord van contact in zijn handjes. De ouder is dan een aanwezige, liefdevolle, betrouwbare en toeziende ouder.

 

De Amerikaanse psycholoog Mary Ainsworth deed onderzoek naar de hechting van de baby's aan de ouders en hun reacties op veilige en onveilige hechting. Zij ontdekte dat de veilig gehechte baby´s het sterkst reageerden op de hereniging met hun opvoeders. Echter, ze reageerden minder op de scheiding (separatie) dan onveilig gehechte baby's. Kinderen die veilig gehecht waren (hoe gespannen ze ook geraakten door de separatie), waren bijna onmiddellijk weer gerustgesteld bij een hernieuwd contact met hun moeder, waarna ze weer graag opnieuw gingen spelen.

De bron van dit gedrag was de manier waarop de moeder op het kind reageerde. Als de moeder de signalen goed interpreteerde (sensitiviteit) en adequaat reageerde in het verleden, dan groeide daarmee het vertrouwen van het kind. Doorgaans waren de moeders van veilig gehechte baby's er snel bij om hen op te pakken als ze huilden en hadden ze hun kindjes teder en zorgzaam vastgehouden (maar alleen als het kind vastgehouden wilde worden). Het gedrag van deze moeders kenmerkt zich door:

 

·gevoelig afstemmen i.p.v. gebrekkig afstemmen

·acceptatie van het gedrag van het kind i.p.v. afwijzing

·samenwerken met het kind i.p.v. overheersen

·emotioneel beschikbaar i.p.v. afstandelijk

 

 

Wat als de opvoeder niet perfect is?

 

Niemand is echter perfect en onze ouders waren ook eens kinderen van  niet perfecte ouders en zo zet die lijn zich door. Om baby's aan te voelen, zal je moeten kunnen voelen, zal je moeten aanvoelen wat ze nodig hebben. Je zal hun taal moeten spreken. Je zal sensitief mogen zijn. En dit sensitief zijn is het gevolg van hoe we zelf opgevoed zijn en in het leven staan.

Wat echter als je dat nu zelf nooit geleerd hebt? Als het niet veilig was te voelen? Dan voel je dat dus niet en ga je je kinderen net zo behandelen, zoals jij zelf behandeld bent geweest. En dat is soms niet zo liefdevol (maar je weet niet beter). Op gevoelsniveau werken lukt dan niet of minder.

Dus heeft het ook geen zin om onze ouders zwart aan te kijken hoe zij ons hebben opgevoed. Net zo min heeft het als ouder zin om schuldig naar je eigen gedrag te kijken. Je wist immers niet beter en had je best gedaan.

Fouten maken is dan ook niet erg. Echter, fouten herhalen als je beter weet, dat zou anders mogen...

Ik stel me altijd op het standpunt dat elke ouder het beste gedaan heeft wat hij of zij kon doen op dat moment. Boos zijn op je ouders heeft ook weinig zin. Immers, zij zijn het wel die jou op de wereld hebben gezet. Boos zijn op hen geeft dus een loyaliteitsconflict, wat je op zich nooit kan oplossen. 

Waarmee je echter wel kan werken, is boos zijn op het gedrag van onze ouders en voorouders. Met deze boosheid is de pijn die het gevolg is van dat gedrag te verwerken.

Anderzijds hebben ouders wel eens schuldgevoelens in de richting van hun kinderen. In feite is dit een verdedigingsmechanisme om de diepere pijn niet te hoeven voelen. Schuld voelen heeft dus geen zin, niemand komt er verder mee. Je kan wel de spijt voelen, want die geeft ruimte tot verdere verwerking van de onderliggende pijnen.

Als onze ouders dus niet aanvoelden wat wij nodig hadden op zeer jonge leeftijd, zullen wij ons als klein kind/baby afgesloten hebben van deze niet-veilige bron. En dit afsluiten kunnen we doen op een aantal manieren:

 

·We kunnen een vermijdend gedrag laten zien.

·We kunnen een angstig-ambivalent gedrag laten zien.

·We kunnen een gedesorganiseerd gedrag laten zien ( vreemd gedrag).

(zie hiervoor: De ontwikkeling van de hechtingstheorie)

 

 

Baby's met een vermijdend gedrag (A)

 

Het lijkt erop dat baby's met een vermijdend gedrag zich terugtrekken en de situatie bijzonder kalm opnemen. Schijn bedriegt in deze echter, daar hun hartfrequentie en cortisolproductie (= stresshormoon) bijzonder hoog zijn. Dit zie je echter niet aan de buitenkant. De kinderen blijven doorgaan met spelen, of de moeder er nu is of niet.

Mary Ainsworth zag dat die kinderen onverschillig leken te zijn of de moeders nu aanwezig waren of niet. Ook zag ze dat de baby's niet naar de moeders toe gingen als die terugkwamen van een periode van 5 minuten scheiding (ze gingen even de kamer uit). Dr. Ainsworth zag dit als een uiting van verdediging. Het leek een overlevingsmechanisme van de baby's. Innerlijk stonden ze op ontploffen, maar uiterlijk hielden ze de schone schijn op van : “Ik heb jou niet nodig, je doet me niets, of je nu bij me bent of niet.” Het leek erop dat de kinderen zich hadden overgegeven en de poging tot contact hadden opgegeven.

 

Omgekeerd bleek ook dat, als de kinderen zelf niet reageerden door te huilen of door naar de moeder toe te kruipen in een poging om aandacht krijgen, de moeders dan ook geen aandacht meer schonken aan deze kinderen.

 

De vraag die nu naar boven komt is: hoe komt het dat de baby's een dergelijk vermijdend gedrag laten zien? Uit onderzoek van Main en Weston (1982) bleek dat de ouders hun eigen emoties onderdrukten en een soort basale afkeer hadden van lijfelijk contact. Vaak reageerden de ouders ( moeders) ook nog eens bits op de baby, indien deze eens huilde. De ouders waren er dus niet voor de kinderen en wezen hen vaak emotioneel en fysiek af.

De veilig gehechte kinderen hielden de moeder vast als deze hen oppakte ( zeker als er getroost moest worden), bij deze vermijdende baby's zag men echter dat ze zich slap lieten hangen in de armen van de moeder.

 

 

Baby's met een angstig-ambivalente gehechtheid (C)

 

Ainsworth kwam tot de conclusie dat er twee soorten angstig-ambivalente baby's waren. De passieve angstig-ambivalente baby's en de boze angstig-ambivalente baby's. De overeenkomst van deze twee groepen is, dat beide groepen baby's zo druk bezig waren met de vraag waar hun moeder was, dat ze zich niet verder druk maakten om de omgeving en zich daarin ook niet verder manifesteerden. Er was bij het vertrek van de moeder dan ook een overweldigende emotionele stress, die niet verminderde. Ainsworth moest dan ook de tijd dat de moeders in het onderzoek weg waren, inkorten, omdat de baby's ontroostbaar waren.

Als de moeders dan terugkwamen, zag je een andere reactie dan bij de vermijdende baby's: de baby's wilden wel opgepakt worden, maar tegelijkertijd duwden ze de moeder weer weg.

 

De baby's met het boze angstig-ambivalente hechtingsmodel werden bij hereniging heen en weer geslingerd tussen aantrekken en afwijzen. Er waren uitingen van gevoelens van boos zijn op de moeder en het wegduwen van de moeder. Tegelijkertijd zit er in het kind de behoefte om bij die moeder te zijn.

 

De passief angstig-ambivalente baby's daarentegen konden zich alleen maar hullen in vage pogingen zich te laten troosten, alsof er niet een rechtstreeks contact mogelijk was tussen hen en de moeder. Het was alsof de baby naar een moeder zocht die er niet was, ondanks het feit dat ze er lijfelijk bij aanwezig was. Je zou kunnen stellen dat ze zochten naar een “andere moeder”, een moeder die haar gevoelens liet zien...

 

De moeders uit deze groep angstig-ambivalente baby's waren zelf vaak in hun gedrag onvoorspelbaar en niet altijd beschikbaar voor de baby's. Ze konden de signalen van de baby's niet lezen en hadden geen gevoel voor de vraag wat deze kinderen nodig hadden. Ze waren er fysiek dus wel, maar konden op emotioneel terrein niets met deze baby's beginnen. (De moeders hadden zelf een gepreoccupeerd hechtingsstijl, dat wil zeggen, ze waren zelf nog druk bezig met het verwerken van hun eigen kinderjaren). De baby's bleven dus bezig met het zoeken naar de moeder en daarmee verloren ze de aandacht en interesse voor de omgeving.

 

 

Communicatie is de sleutel

 

Ainsworth kwam tot de ontdekking dat de kwaliteit van de communicatie tussen baby en opvoeder van het allergrootste belang was. De baby spreekt een taal en die taal heet “voelen”. Op dat gevoelsniveau zal de baby “spreken” met de ouder. En uit alle prikkels die het krijgt aangeboden van de ouders zoekt het de voor hem best mogelijke uit.

Wat heeft de baby nodig?

·troost

·gehoord worden

·gezien worden

·liefde

·aandacht

 

      Als de ouder dit invult bij de baby, dan ervaart het kind dit als veilig en zal het na het ontvangen van deze prikkels weer terugkeren naar datgene waar het mee bezig was en dit zonder innerlijke negatieve emoties.

De reactie van nood aan troost, begrip, aandacht, liefde van het kind werd immers beantwoord door de moeder en wel op een dusdanige manier, dat ze aandacht had voor het kind en het kind de tijd gaf te kalmeren, om vervolgens weer terug te doen keren naar datgene waarmee het bezig was. En dit vormt dan ook de basis van een veilige hechting (B).

 

Bij de vermijdende baby's was er geen toenadering en vraag naar troost, liefde etc. Het kind ging gewoon door met hetgeen waarmee het bezig was. Het had immers eerder al geleerd dat het “hopen op koestering” toch geen zin had en investeerde hier dus niet meer in. Er was dus geen communicatie vanuit het kind naar de moeder.

 

Bij angstig-ambivalente baby's was er nagenoeg een omgekeerd patroon zichtbaar. De moeders konden geen contact krijgen, omdat ze niet wisten hoe de baby's te benaderen. Ze wilden wel, maar hadden zelf niet geleerd hoe te reageren in dergelijke situaties.

De kinderen waren zo bezig met het feit dat de moeder er eventjes niet was, dat ze zich daar helemaal op focusten. Al het andere om het kind heen werd niet meer waargenomen. Kwam de moeder dan terug, dan was hun ontreddering te groot geworden, te groot om getroost te kunnen worden. Ze bleven dus passief of boos op het feit dat moeder was weggegaan. Je zou kunnen zeggen dat het kind aandacht nodig had maar dat de ouder niet veilig genoeg was om dat te geven en het kind intern niet “weet” wat het doen moet.

 

 

De moeders en hun gedrag

 

Bij moeders van veilig gehechte baby's bleek dus dat zij gevoelig waren voor de signalen die het kind liet zien. Het kind leerde dat het voor zijn behoefte bij de moeder terecht kon. En de moeder leerde de signalen van het kind lezen, opdat zij adequaat kon reageren. Op die manier ontstond er een vertrouwensband tussen moeder en kind.

 

Bij moeders van vermijdende baby's bleek dat zij elke vorm van emotioneel contact afwezen. De moeders hadden waarschijnlijk zelf ook nooit geleerd om met emotioneel contact om te gaan en konden het ook niet doorgeven. De baby reageerde hierop met het vermijden van elke vorm van toenadering. Hij had immers snel door dat er “niets te halen” viel op het gebied van veiligheid, knuffels, liefde troost etc. Het kind leerde dat het zelf voor zijn eigen zaakjes moest zorgen. Deze moeders hadden ook niets met lichamelijk contact, hetgeen ze dus evenmin beoefenden met hun baby's.

 

De moeders van angstig-ambivalente baby's reageerden wisselend. Ze lieten een sterk wisselend gedrag zien. De ene keer waren ze er wel en de andere keer niet. Ze waren dus onvoorspelbaar in hun gedrag en dat merkten de baby's. Siegel beschreef in 1999 dat het bij dergelijke ouders erop leek dat ze door hun denken (hun mentale toestand) niet aanvoelden wat hun baby nodig had en dat ze dus “op de gok” aan het kind gaven wat ze “dachten” dat het kind nodig had. Ze hadden dus niet de vaardigheid ontwikkeld om te “lezen” wat het kind bedoelde met de “taal” die het kind sprak in de vorm van huilen, jengelen etc. De baby reageerde hierop door continu aan te blijven geven wat het nodig had. En al het andere was  voor het kind even niet belangrijk. Het leek dus op een soort overlevingskreet van het kind: “Zie me, hoor me, voel me, etc.” En dit buiten alle proporties om. Het zorgde dus voor een verhoging van het aanbod, van de druk, alsof dit de situatie zou verbeteren... echter tevergeefs.

 

 

De gedesorganiseerde gehechtheidsstijl

 

Naast de hierboven genoemde patronen ontdekte een leerling van Ainsworth, Mary Main, jaren later een vierde patroon: de gedesorganiseerde of gedesoriënteerde gehechtheid. Ze zag bij deze baby's dat ze een zonderling gedrag vertoonden wanneer ze weer met hun opvoeder verenigd werden. Zaken als verstijven, gekke bewegingen maken, achteruit kruipen, in elkaar zakken op de vloer, het doen laten lijken alsof ze in trance waren etc. waren uitingen die behoorden tot deze groep. Psycholoog Erik Hesse zei in 1999 dat bij het zien van de moeder deze baby's vaak een hand op de mond legden, alsof ze een kreet wilden onderdrukken.

Deze gedragingen namen soms maar een tijdsspanne in van 30 seconden, maar waren toch duidelijk aanwezig.

Deze baby's ervoeren hun ouders niet alleen als veilige bron, als vluchthaven, maar ook als de bron van het gevaar. Het kind komt dan klem te zitten tussen toenadering en vermijding.

Dit gedrag wordt dus veel gezien bij die baby's die hun ouders als gevaar ervaren (denk aan mishandeling). Een cliënt van mij beschreef dat eens als volgt: “Toen ik 3 jaar was, sprong ik vaak op de schoot van papa. De ene keer was het goed en kreeg ik een knuffel, de andere keer kon ik een tik krijgen met de woorden: “Laat me met rust, ga weg.” Vanaf die tijd vertrouwde ze haar vader dus niet meer.

Main en Hesse concludeerden in 1992: Dit patroon ontstaat als alle andere mogelijkheden niet meer voor handen zijn. Het is als het ware de uiterste strategie die een kind kan gebruiken als het niet datgene krijgt wat het nodig heeft. Al de hierboven beschreven strategieën zullen dan niet werken en dus blijft dit als enige overlevingsstrategie over...

 

 

Wat voor invloed heeft een gehechtheidspatroon in de babytijd op de volwassene?

 

 

De manier waarop het kind de gehechtheid ervaart en ernaar leeft, vormt het begin van patronen welke we tegenkomen in de jeugd, adolescentie en de volwassene.

In de hersenontwikkeling is immers een aanpassing gebeurd: ofwel is het goed geweest en heb je de drie hersenlagen goed ontwikkeld en geïntegreerd ofwel is dat proces ergens blijven hangen….

Bij veilige gehechtheid zie je dit terug bij de kinderen in de vorm van:

·meer zelfrespect

·emotionele gezondheid

·grotere veerkracht van het ego

·initiatiefrijk gedrag

·betere sociale ontwikkeling

·hoge concentratie tijdens het spelen.

 

Er schijnt een verband te zijn tussen de manier van hechting en eventuele reacties op latere leeftijd:

 

·Gedesorganiseerde gehechtheid schijnt de voorbode te zijn van de borderline- persoonlijkheidsstoornis.

·Vermijdende gehechtheid kan ten grondslag liggen aan obsessieve, narcistische en schizoïde problematieken.

 

 

Volgens psychologen Schore ( 2002) en Slade (1999) wordt angstig-ambivalente gehechtheid wel in verband gebracht met hysterie of histrionische problematieken (kenmerken: o.a. in centrum belangstelling willen staan, ongepast seksueel gedrag, wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen).

 

Ter verduidelijking: patiënten met een psychopathologie zijn een contra-indicatie voor de ADULT ATTACHMENT THERAPY®, omdat een goed functionerende ( interne) volwassene één van de voorwaarden is om de behandeling goed te kunnen uitvoeren.

 

In feite laten veel onderzoekers zien dat we, wat we als basis in de babytijd hebben geleerd, als een platform gebruiken om daarop onze verdere levensjaren op te bouwen, inclusief die van de volwassenheid. Is die basis veilig, dan hebben we een grote kans om probleemloos volwassen te worden met een verhoogde kans om gelukkig te zijn.

Is die basis niet veilig, dan blijven we zoeken naar die veiligheid en is de kans groot dat we op volwassen leeftijd nog steeds blijven doorzoeken naar datgene wat we in de jeugdjaren nodig hadden: liefde, veiligheid, geborgenheid, koestering, voeding etc.

 

 

Mary Main en volwassenen

 

Mary Main was een leerling van Bowlby. Ze ontdekte dat er overeenkomsten waren tussen:

 

·de patronen van non-verbaal gedrag bij de baby's

·de manieren van gehechtheid van de zesjarige kinderen

·wat de ouders lieten zien in het Adult Attachment Interview (= een onderzoek

naar de manier waarop volwassenen met elkaar omgaan) en de hechtingsstijl die zij zelf als kind hadden ontwikkeld.

 

Mary Main wilde nagaan of de hechtingsstijl van de ouders correleerde met de hechtingsstijl van de kinderen.

 

Mary Main stelde in haar werk dat we hetgeen we leren als kleine baby gaan zien als hoe ”het werkt” in de eerste levensjaren. De jonge kinderen gaan een gedrag laten zien dat geënt is op de ervaring binnen het hechtingspatroon. Als de ouder veilig was, zullen ze open en frank en vrij de wereld intrekken. Echter, als de ouder geen veilige hechting kon geven, zullen ze de wereld veel voorzichtiger gaan betreden, althans op gevoelsvlak zullen ze veel inhouden.

Met andere woorden: wat we als baby leren, nemen we op jonge leeftijd mee. Mary Main concludeerde ook dat we dit patroon als blauwdruk kunnen zien voor hoe we ons in de volwassen wereld moeten gaan gedragen om te overleven. Wat veilig is (gevoelens naar buiten brengen en ermee communiceren met anderen), of wat juist niet veilig is (boosheid, angst, verdriet, behoeftes etc. laten zien) bepalen we dus in de kinderjaren.

Het onveilige gevoel nog veranderen door middel van praten is mijns inziens een haast onmogelijke opgave.

Voor de volwassenen hanteert Mary Main enigszins andere termen dan voor de kinderen:

·Type A: (onveilig) vermijdende hechting wordt gereserveerde hechting

·Type B: veilige hechtingsstijl blijft veilige of wordt ook wel autonome hechting

·Type C: (onveilig) angstig –ambivalente hechting wordt gepreoccupeerde hechting

 

·Type D: (onveilig) ongeorganiseerde / gedesoriënteerde hechting blijft ongeorganiseerde hechting

 

 

Mary Main heeft aangetoond dat we de manier waarop onze ouders ons benaderden in onze veiligheid en aandacht zelf overnemen en weer doorgeven aan onze eigen kinderen. Heb je veilig gehechte ouders, dan is de kans dus groot dat jij uitgroeit tot een veilig gehechte volwassene die zelf weer een veilige hechting kan geven aan zijn eigen kinderen. Immers, je ouders wisten en voelden wat jij als kind nodig had. Zij kenden dus jouw taal waarmee je aangaf dat je iets nodig had. (De taal van het aanvoelen). Je ouders reageerden adequaat op jouw noden. Zo leerde jij dat je emotionele uitingen niet voor niets waren en blijf je dus die uitingen doen. Je blijft die ouders als veilig zien en dus is die hechting als veilig te betitelen.

 

De onveilig gehechte ouders (gepreoccupeerd of vermijdend) konden niet anders dan een onveilige hechting doorgeven want ze hadden zelf niets anders geleerd. Hun gedrag was er voor op gericht om pijn van de tekortkomingen in hun behoeftes, welke ze bij hun eigen ouders zo ervoeren, niet te voelen. Ze hadden een overlevingsstrategie “uitgedacht”. Ze vermeden het voelen en gingen meer over tot denken en het zoeken van rationele oplossingen om tekortkomingen het hoofd te kunnen bieden. En dat werkte voor hen, dus konden ze niet iets anders doorgeven. Als jij als kind je noden uitte in bijvoorbeeld huilen, dan herkenden ze dit niet, ze voelden het niet en ”wisten” gewoonweg niet hoe hierop te reageren. Op die manier leerde jij als kind dat je je emoties niet mag/hoeft te uiten, want het heeft toch geen zin. En daarmee laat je de emoties achterwege en zoek je via andere sporen te overleven. Eén van die sporen is: “Mijn ouders zijn perfect en ik doe alles fout, dus ligt het aan mij. Ik ben niet oké.” Dit patroon zien we bij veel mensen terug. En omdat dit er zo vroeg ingepland is, is dit sterk geworteld en is die overtuiging sterk aanwezig bij die mensen. Ze ervaren tekortkomingen en leegtes in zichzelf die ze volgens hun inzichten echter alleen kunnen benaderen door te praten. In therapie hierover praten zal helaas jaren en jaren gaan duren.

 

Epigenetica

 

Uit recent onderzoek weten we dat ervaringen van onze ouders in de zin van stress en vreugde opslagen worden in onze genen. Deze wijze van doorgeven noemen we epigenetica. We kunnen dus op meerdere manieren ervaringen, overtuigingen, etc.   doorgeven aan onze kinderen...

 

 

De ADULT ATTACHMENT THERAPY®

 

Zoals ik hierboven heb aangegeven kunnen veel problemen die we als volwassene   ervaren, alsmede onze sterke overtuigingen dat we geen invulling krijgen voor onze behoeftes, hun grondslag hebben gekregen in de eerste drie jaren van ons leven.

Het taalcentrum in onze hersenen (centrum van Wernicke en centrum van Broca, die beide in onze linkerhersenhelft zitten), is dan nog aan het ontwikkelen, alsmede het taaldeel in onze rechterhersenhelft ( welke verantwoordelijk is voor onderscheiden van de verschillende betekenissen van woorden, zeg maar het “voelen” van de woorden). Dat houdt dus in dat we de taal nog niet machtig zijn, in die tijd zijn echter wel onze gevoelens en de reacties daarop aan het ontwikkelen. Onze kijk op de wereld wordt dan al gevormd.

Dit gegeven bracht mij ertoe de cliënten die bij mij kwamen met problematieken rondom hechting niet alleen te benaderen via de taal, maar ook via het gevoel. Ik trachtte met dat deel uit de herinnering in contact te komen dat geen woorden had. Aanvankelijk probeerde ik dat door middel van regressie, echter met teleurstellend resultaat. De gevoelens waren er wel, veel cliënten hadden echter niet de mogelijkheid dat gevoel onder woorden te brengen of er een beeld op te plakken.

Ook zag ik in de anamnese dat veel mensen een historie kenden van scheiding van de ouders op jonge leeftijd, couveuse-achtergronden, adoptie, ruzies tussen de ouders in de jonge jaren, verwaarlozing en misbruik, gebrek aan veiligheid door drinken  van één van de of beide ouders, het vroeg sturen naar kindercrèches, etc. 

 

In diezelfde tijd waren er veel cliënten die bij mij kwamen voor de behandeling van hun Innerlijke Kind, die aangaven te willen knuffelen, wegkruipen, koestering ontvangen. Mijn partner en ik hadden al enige jaren ervaring met het Helend Knuffelen® in Antwerpen, waarbij mensen samenkwamen om in een veilige setting lichamelijk (gekleed) contact te hebben. We merkten dat dergelijke bijeenkomsten effectief waren (mensen kwamen tot rust en verlieten de zaal met een glimlach). De voorwaarde was echter dat er een veilige setting was. Dit garandeerden we dan ook door te werken met een matrix (= lijst van afspraken die voor elke sessie weer opnieuw herhaald werd). (Meer hierover op de pagina ‘Helend knuffelen’ elders op onze website).

Uit de feedback hoorden we dat het knuffelen hen krachtiger, steviger maakte en dat ze het gevoel hadden meer in hun lijf te komen. Hoe komt dat nu?

Wetenschappelijk bewijs is er niet, maar we denken dat het invullen van noden waaraan tijdens de jonge kinderjaren niet tegemoet gekomen werd een rol speelt, net als de aanmaak van het hormoon oxytocine bij lijfcontact. Deze stof wordt niet voor niets het knuffelhormoon genoemd.

 

 

Oxytocine

 

Oxytocine is een hormoon waarvan men al jaren weet dat die de toeschietreflex als- mede het samentrekken van de baarmoeder regelt na een bevalling. Sinds een aantal jaren heeft men echter ook ontdekt dat oxytocine verantwoordelijk is voor sociale gedragingen. Gedragsfysioloog Federica Calcagnoli deed bij ratten onderzoek met oxytocine. Ze gaf ratten oxytocine en stelde vast dat hun agressieve gedrag hierdoor verminderde .

Onderzoekers in Wenen en Freiburg toonden aan dat bij het knuffelen oxytocine vrij komt. Dit gebeurde echter alleen wanneer de persoon zich veilig voelde. Was er stress, dan zagen ze een toename van het hormoon vasopressine (stresshormoon). Men denkt dat dit komt omdat je je onveilig voelt, als er buitenstaanders binnen je veilige ruimte komen en dat je dan stress ervaart. Om die reden geloof ik dan ook niet echt in de “free hugs”-aanbiedingen die je soms tegenkomt in de stad. Het idee erachter is leuk, echter de opbrengst (rust, koestering, ontspannen zijn) zal minder zijn dan wanneer dit in een besloten groep plaatsvindt en de mensen zich dus veiliger voelen.

 

In mijn opinie zijn hier twee zaken erg essentieel:

·De mensen moeten in een veilige setting zitten, ze moeten zich absoluut veilig voelen.

·De mensen moeten contact kunnen maken met een ander door middel van hun lijf.

En juist deze twee zaken zag ik terug in wat ik las over hechtingspatronen: voor een goede hechting moeten baby's contact hebben met hun opvoeder (lijfcontact, het liefst huid-huidcontact) en dat moeten ze ervaren als absoluut veilig.

 

De volgende vragen kwamen toen in mij op:

·Kan iets wat in de babytijd ontstaan is reversibel zijn?

·Kunnen mensen een patroon dat ze toen aanleerden, omdat er toen niets anders voor handen was, nu als volwassene herstellen?

·Kan ik de onveilige hechting ombuigen naar een veilige hechting op volwassen leeftijd en dan op een zodanige manier dat de mensen veranderen in hun wijze van het invullen van hun behoeftes en dus qua gedrag?

·Kunnen oude gevoelens die waarschijnlijk in die jonge jaren ontstaan zijn (boosheid, verdriet, angst etc. ) veranderd worden door een situatie, welke die mensen toen nodig hadden maar niet kregen, na te bootsen en er op een andere manier mee om te gaan?

 

Het idee hierachter was dat de hersenen geen tijd kennen. Immers, we herbeleven in het hier en nu nog het verdriet en de angst die vroeger ontstaan zijn. Dat weten de hersenen zich te herinneren (amygdala). Zijn die verbindingen die toen in de hersenen ontstonden echter nog te veranderen?  Kortom, kunnen we de hersenen nog iets bijleren? We weten dat iets vroeger ontstaan is, maar we voelen het tekort alsof het in het hier en nu aanwezig is. We weten misschien dat we toen de liefde moesten ontberen, echter in het hier en nu zijn we nog steeds op zoek naar die liefde (al is het soms in een andere vorm). Dat weten we wel, maar het gevoel is iets anders. Dat beleven we nog als iets wat in het hier en nu plaats vindt. Dus houden de hersenen die tijdloos zijn ons dan in feite voor de gek.

De vraag was nu: kunnen wij die signalen van de hersenen overrulen en de volwassen mensen dusdanige prikkels aanbieden, dat ze hun oude pijnen en tekortkomingen kunnen helen?

Dat besprak ik met een groep patiënten en ik vroeg hen of ze wilden meewerken aan een experiment waarbij ik als therapeut de ideale vader voor hen kon zijn en in voorkomende gevallen Griet (mijn partner) de ideale moeder kon zijn.

 

De plasticiteit van de hersenen

 

Zoals al eerder aangegeven worden we geboren met de totale hersenschors en de hersencellen. Het leren gebeurt dus niet door een vergroting van het aantal cellen maar meer door het verbinden van de diverse delen. Synapsen (de verbindingen tussen de verschillende neuronen) worden bijgemaakt (synaptogenese) en overbodige synapsen worden verwijderd (pruning). Onze hersenen gaan steeds effectiever werken en uiteindelijk maken we zo effectief mogelijk gebruik van de hersencellen door veel verbindingen die we niet vaak gebruiken op te heffen.

Daarnaast zien we dat de meest gebruikte celverbindingen gemyeliniseerd worden, waardoor ze sneller werken en dat er gliacellen gevormd worden. Deze laatste twee factoren zorgen ervoor dat het hersenweefsel de eerste 6 levensjaren sterk in volume toeneemt.

 

 

Functionele plasticiteit bij volwassenen

 

Maar hoe zit het nu bij de volwassenen? Kan er dan echt niets meer veranderen? Dat lijkt zeer onwaarschijnlijk. Immers, dan zouden we ook niets meer kunnen bijleren en ervaringen opdoen op gevoelsniveau. Als je stelt dat het leerproces ook het aangaan van bepaalde verbindingen in de hersenen inhoudt, kan er dus altijd wat veranderen in de hersenen.

Er is dus een reorganisatie van normale hersenfuncties mogelijk als gevolg van oefening en leren.

In feite kan je de hersenen voorstellen als een landkaart met snelwegen en landweggetjes. Normaliter rijden we op de snelwegen om ons doel te bereiken. Echter, als we leren of iets veranderen, kunnen we gebruik maken van die landweggetjes. Als wij ze echt vaak gebruiken, transformeren we ze in snelwegen. En daar we de oude snelwegen niet meer gaan gebruiken, worden dat landweggetjes. De herinnering (oude snelweg) blijft dus, we kunnen nu echter kiezen (inherent aan het volwassen zijn) of we de oude of de nieuwe weg willen berijden. Metaforisch zou je dus kunnen stellen dat de wegen er al liggen, maar dat we zelf kunnen kiezen via welke wegen we ons doel willen bereiken.

Anatomisch kan je stellen, dat de verbindingen tussen het reptielenbrein, limbische systeem en neocortex op verschillende niveaus hersteld of opnieuw aangelegd worden, door de nieuwe ervaringen en het bewust worden van het omgaan met die ervaringen vanuit je volwassen denken.

Als we dan die nieuwe wegen gaan berijden, moeten we ook de taal spreken van dat nieuwe gebied, zeg maar het dialect. En dan kom je weer op de ervaring terecht. Kom je in het gebied Liefde maar heb je nooit Liefde ervaren, wat doe je daar dan? Hoe weet je de weg in een gebied waar je nog nooit geweest bent?  Hoe leer je de taal van Liefde spreken?

Dit lijkt onmogelijk, echter door het op een veilige manier aanleren van die taal, door die taal te ervaren, leer je of het iets voor je is of niet. Door te ervaren worden er verbindingen gelegd. Door te doen ga je voelen.

En juist dit opdoen van ervaringen en voelen wat het met je doet, dat je kan krijgen wat je nooit gehad hebt, vormt de hoeksteen van de ADULT ATTACHMENT THERAPY®.

 

 



© 2018 Het innerlijke kind - realisatie: BMT Media