VVM- lezing 2 juni 2012

 

·       1. Voorstellen

·       2.Ook ik heb gevoelens van ongemak in mij.

·       3. Van ideaal naar realiteit

·       4. Overtuigingen

·       5. Van geboorte tot nu, een avontuurlijke reis

·       6. De invloeden van vader en moeder

·       7. Ik ben OK jij bent OK.

·       8. Leuk te weten, maar hoe nu verder?

·       9. Praktijk, oefening met de zaal

 

Pauze ( ongeveer 15.30 – 15.15 met vragenmogelijkheden)

 

15.45 Beantwoorden vragen

16.15 afsluiting

 

 

 

Start 13.30 uur

1

 

Voorstellen

 

Mijn naam is Remke Kamphuis. Ik ben lichaamsgericht psychotherapeut en heb een praktijk in Bovensmilde en Mechelen (België). Sinds 1998 hou ik me bezig met het Innerlijke Kind. Het Innerlijke Kind is dat deel in ons, welke zijn oorsprong heeft in de kinderjaren en dat gekenmerkt wordt door behoeftes en overtuigingen. Dit deel in ons kan een belangrijke invloed uitoefenen in hoe wij ons als volwassene gedragen en ons voelen.

Natuurlijk is het geen echt kind, echter het is de personificatie van allerlei gevoelens welke we niet hebben kunnen verwerken in de kinderjaren. De kinderjaren definieer ik als zijnde van 0 tot 23 jaar.

 

Eind 2011 ben ik benaderd door een medewerkster van de VVM met de vraag of ik een lezing wilde geven voor de VVM (Vereniging van Verlegen Mensen). Ik zei meteen “ja”, maar toen kwam de vraag naar boven: “Ja, is wel allemaal leuk en aardig, maar wat ga ik hen vertellen? Wat weet ik nu eigenlijk over verlegenheid? Zijn de mensen van de VVM al niet veel deskundiger dan ik? ” Ik wil dan ook niet pretenderen hier het ei van Columbus gevonden te hebben. Ik wil een poging doen een zienswijze weer te geven en ik nodig jullie uit voor jezelf te bezien of deze bij jullie past of niet.  

 

 

Geert Kimpen, de schrijver van het bekende boek “De Kabbalist” schreef over zichtzelf en zijn verlegenheid: (ik citeer) “In zijn beginjaren was Newton ontzettend verlegen, zeg maar contactgestoord, niet in staat tot menselijke relaties. Dat herken ik, alleen minder extreem. Pas wanneer Newton erkenning krijgt en naar buiten treedt, groeit zijn zelfvertrouwen. Dat merkte ik ook bij mezelf toen De Kabbalist zo goed werd ontvangen. Mijn verlegenheid is grotendeels verdwenen, doordat ik na zoveel jaren ging doen wat ik jaren daarvoor al had willen doen. Van nature ben ik eerder angstig en verlegen en aarzelend”.

 

Op zich is dit een leuk stukje om eens nader te bekijken. Geert Kimpen heeft het over: erkenning, naar buiten treden, groeien van zelfvertrouwen en doordat ik na zoveel jaren ging doen wat ik jaren daarvoor al had willen doen. Hij kent zichzelf als verlegen en aarzelend.

 

Er is dus blijkbaar iets in hem geweest wat ervoor zorgde, dat hij anders deed en anders over zichzelf dacht dan dat hij in werkelijkheid was. En om daar achter te komen schijnt het zo te moeten zijn, dat er eerst jaren van ervaring overheen moeten gaan, alvorens tot inzicht te komen dat het ook anders kan. 

 

In deze lezing probeer ik hierin duidelijkheid te geven. Te vertellen wat een mogelijke drijfveer is die hierachter zit en welke compensatiemechnismen er achter zouden kunnen zitten. Wat de oorzaak mogelijk zou kunnen zijn en welke rol het Innerlijke Kind hierin speelt.

Het doel dat ik mijzelf gesteld heb is, dat ik wil pogen jullie iets duidelijk te maken over de mogelijke relatie tussen verlegenheid en het Innerlijke Kind. Dit om jullie een tool te geven om in contact met dit verlegen stuk te kunnen geraken. Ik zeg bewust “verlegen stuk”, omdat volgens mij niet iemand verlegen is, maar een deel in zich heeft die verlegen is. Dit houdt dus automatisch in, dat er ook delen in de persoon moeten zitten, die niet verlegen zijn.

Ik ben me gaan verdiepen in wat “verlegen zijn” nu precies inhoud.

Ik ben de handleiding van de basiscursus van de VVM gaan lezen, ik ben het hallo hier ben ik  en hallo hier ben ik weer gaan bestuderen. En zo gaandeweg kreeg ik een idee van wat Verlegenheid in kan houden. En wat nog veel mooier was, het sloot haarfijn aan bij het Innerlijke Kindwerk, waarbij emoties ook op de achtergrond meespelen.

 

 

 

2

 

Ook ik heb gevoelens van ongemak in mij

 

Nu ik zo voor jullie sta, moet je niet denken van: “Ha, die weet het allemaal, die zal alles wel eens even op gaan lossen. Die staat daar stevig, die heeft geen last van zenuwen “ Nou….. dat is niet helemaal het geval of liever, dat is helemaal niet het geval. Ook ik heb een stukken in mij die mij een ongemakkelijk gevoel geven en ook ik ken de signalen van mijn lichaam als ik me ongemakkelijk voel (zweten, roodheid, bal in de maag, knikkende knieën). Ook ik heb dan last van compensatiegedrag.

Zo ook vandaag: Toen ik hoorde dat het in Utrecht (1. Aanleiding) was, was mijn eerste reactie: “Oh nee, slecht parkeren, drukte, kan ik het wel vinden, hoe kom ik op tijd” en meer van dat soort beren op de weg (2. Eigen invulling). Ik vulde dus zelf het verhaal in en werd daar angstig van. Ik voelde me ongemakkelijk worden, ik voelde druk in mijn maagstreek, het klamme zweet brak me uit (3. Lichamelijke klachten) en ik wilde vluchten, de grond ingaan en zocht echt naar redenen om het af te zeggen. Allemaal dus vluchtreacties (4. Onttrekkingsgedrag).  

In mijn leven heb ik geleerd in zulke gevallen het “probleem” te objectiveren, het van afstand te gaan bekijken en dan net te doen of het een ander is die dit probleem heeft. Dan komen er vanzelf oplossingen naar boven. Zo ook nu. Ik kende iemand die in Utrecht woont en ik dacht: “Ik kan diegene vragen hoe de situatie in Utrecht is”. Haar reactie was: “Hopeloos”………. Daar kwam ik dus niet veel verder mee. “Maar”, zei ze, “Ik kan je wel brengen en halen, dan kan je je auto bij mij voor de deur neerzetten en is het probleem een stuk kleiner”. Dit heb ik dus gedaan en prompt was de spanning in mijn lijf verdwenen.

Maar interessant is nu te zien wat er hier is gebeurd. Wat maakte het dat ik me eerst onbehaaglijk voelde en daarna wel weer in mijn comfortzone terecht kwam.

In deze lezing hoop ik jullie hiervan het een en ander uit de doeken te doen. Er schijnt iets in onze herinnering te zitten, wat ons beïnvloed en ons eenzelfde reactie geeft op dit moment, als toen we het jaren geleden ervaren hebben.

 

 

3

 

Van ideaal naar realiteit

 

Nu is het niet zo, dat onze ouders perfect zijn. Sterker nog, er bestaan geen perfecte ouders. Ouders hebben hun eigen niet ingevulde behoeftes. Behoeftes en tekortkomingen die in hun eigen kinderjaren ontstaan zijn. Vanuit deze tekortkomingen zullen ze hun eigen kinderen opvoeden. Echter hoe kan men iets geven wat men zelf niet heeft? Hoe kunnen ouders, die liefdeloos en hard zijn opgevoed (soms met lijfelijke straffen etc. ) liefdevol naar hun eigen kinderen zijn? Dat is haast een onmogelijke opdracht. De realiteit is dus, dat de ouders vanuit hun eigen “pijnstuk” hun kinderen opvoeden en vanuit dit deel zullen gaan reageren.

 

 

 

 

 

 

 

Tekening IK en volwassen en onderlinge communicatie.

 

Het kind zal hierop reageren. Immers, het kind heeft Liefde, Voeding, Veiligheid, Koestering, Gezien worden etc. nodig.  Het kind voelt zich dan geheel OK. Het mag er zijn zoals het is. Het kan doen en laten wat het op dat moment nodig heeft. Echter, worden één of meer onderdelen van die basisbehoefte niet gegeven aan het kind, dan leert het kind (zonder woorden): “Ik ben niet OK”. En als het kind niet OK is, zal het een aangepast gedrag gaan vertonen. Het zal zich klein houden, stil houden of zich juist opblazen en een druktemaker worden (immers, dan wordt hij/zij meer gezien).

 

Ook heeft het kind geleerd hoe de ouder te pleasen. Dit bijvoorbeeld door hard te werken of door heel schoon/proper te zijn. Door dit gedrag kan het de schouderklopjes van de ouder krijgen (of op z’n minst niet de negativiteit over zich heen krijgen) die het zo hard nodig heeft.

We zitten dus in een situatie, waarbij het kind vanuit de kinderenergie van de ouder de tekortkomingen bespeurt en waarbij het van de regelgeving van de ouder “weet” hoe het zich moet gedragen om juist positieve aandacht te krijgen. Dit neemt het kind mee in het volwassen leven. In dit volwassen leven zal het hard werken of heel schoon zijn, bij het pathologische af. Vroeg of laat zal dit de volwassene opbreken en zal hij/zij het rustiger aan moeten doen = minder positieve reacties van ouders). Hierdoor komt de pijn weer naar voren, waardoor die persoon weer terugvalt in het oude gedrag van hard werken of extra schoon zijn.

De ideale ouder was dus niet zo ideaal en de realiteit is, dat het kind als volwassene een gedrag vertoond die hem vroeg of laat zal schaden.

 

 

 

 

4.

 

Overtuigingen

 

Als er negatieve reacties van de ouders komen (en soms zijn die best heftig, denk maar eens aan ouders die alcoholist zijn en meer dan genoeg aan zichzelf hebben), krijgt het kind dus een zee van negatieve boodschappen over zich heen. Zoals ( zie ook later):

Besta niet, Wees niet belangrijk, Laat je niet zien, Wees niet jezelf, Hoor er niet bij, Wees geen kind, Kom niet dichtbij, Groei niet op, Wees niet gezond, Slaag niet, Denk niet, Doe niets, Voel niets, Laat je niet horen, etc.

 

Deze  boodschappen kunnen verbaal en non-verbaal overgebracht worden op het kind. Zeker het hele kleine kind kent nog geen woorden. Een heel klein kind neemt de boodschappen op door middel van gelaatsuitdrukkingen, spierspanningen, bewegingen, intonaties en geuren. 

Voorbeeld: Als een moeder het kind vlak bij zich heeft en warm houdt, zijn lijfje soepel tegen haar aangevlijd, dan vat het kind haar boodschap waarschijnlijk op als: “Ik aanvaard je en houdt van je. Je bent OK”. Maar als ze gespannen raakt en het kind wat op afstand houdt, dan vat het kind dat wellicht op als: “Ik wijs je af en wil je niet dicht bij me hebben. Je bent niet OK”. De moeder hoeft zich overigens in het geheel niet bewust te zijn van haar spanning en afstandelijkheid.

Dit is maar een voorbeeld, maar zo kunnen veel negatieve gevoelens overgebracht worden op het kind. Harde geluiden, plotselinge bewegingen, scheiding van de ouders zoals ziekenhuisopname kunnen voor de baby als levensbedreigend over komen. En juist omdat het kind er vanuit gaat dat de ouders de baas zijn van de werkelijkheid, trekt het de conclusie, dat de bedreiging van hen afkomstig is.

Op latere leeftijd spreekt het de taal. Dan komen de boodschappen dus via twee kanalen naar binnen: verbaal en non-verbaal.

 

Vanuit deze reacties van de ouders, kunnen de kinderen overtuigingen vormen, die veel te maken hebben met het “moeten”: ik moet sterk zijn, ik moet perfect zijn, ik moet mijn best doen, ik moet de ander een plezier doen, ik moet opschieten.

Bij dit moeten, doe je dus datgene wat de ander zegt dat er gedaan moet worden. Het “ik wil” is hier dus uitgehaald. 

 

Doordat het kind niet aan al deze “moeten” kan voldoen, zal het zichzelf als niet-OK gaan zien en interne overtuigingen hebben: Ik ben niet perfect, ik ben niet Ok, ik ben niet sterk, ik kan de andere geen plezier doen, ik ben dom (ik kan mijn best niet doen), ik ben waardeloos, ik mag er niet zijn.

 

Naast deze psychologische reacties en reacties in gedrag, kunnen er ook fysieke reacties ontstaan. Immers, als de ouder boos is, zal het kind bijvoorbeeld rood worden van schaamte, of zo schrikken dat het de adem vast gaat houden, of er zal een gevoel van onmacht kunnen ontstaan in de buik/maagstreek.

 

 

 

 

 

5

 

Van geboorte tot nu, we leren veel

 

Hetgeen hierboven staat is nu wel zo mooi en aardig, maar wat kunnen we ermee?

Eens zijn we geboren en nu leven we in het “hier en nu”. Daartussen is dus iets gebeurd, wat maakte dat we zijn zoals we zijn.

Om het verhaal wat overzichtelijk te houden, ga ik uit van de stelling, dat we pas onze informatie in ons beginnen te krijgen vanaf 3 maanden na de conceptie (dus nog IN de baarmoeder). Ik ben ervan overtuigd dat er vorige levenstukken mee kunnen spelen, maar die laat ik nu even buiten schot, daar het verhaal anders te gecompliceerd gaat worden.

 

We worden dus eens gemaakt en drie maanden later is er iets in de buik van mama, dat een eigen identiteit, een eigen ziel krijgt. Vanaf dit moment is het in contact met de moeder. Als de moeder blij is, is het vruchtje blij, als de moeder angstig is, leert het vruchtje, dat er angst is en voelt het de angst.

Hoe gaat dat kleine vruchtje nu om met angsten, met gevaar? Om hier achter te komen moeten we een uitstapje maken naar het functioneren van de hersenen in die fase en op latere leeftijd. Er blijkt een structuur in onze hersenen te zitten, die al aanwezig is vanaf de derde week na de conceptie. Deze structuur noemen we de amygdala. Deze amygdala speelt een primaire rol in de vorming en de opslag van herinneringen die te maken hebben met emotionele gebeurtenissen. De amygdala “herinnert” zich dus de stimulus, de oorzaak van iets welke tot een heftige emotie uit gegroeid is ( in het verleden). Het doel van de amygdala is dus de voorkoming van het weer komen in een dergelijke emotionele fase. Immers, we hebben het al eerder meegemaakt, dus de reactie hierop zal sneller en efficiënter kunnen gaan verlopen. De amygdala “weet” dus als het ware, wat er gaat gebeuren als er een bepaalde stimulus plaats vindt. Het zal er dan meteen een reactie op los laten” bevriezing (stijf van de schrik staan, immobiliteit = vluchten), hogere hartritme (tachycardie), toename van de ademhaling, en vrijkomen van het stress-hormoon (= klaarmaken voor vechten) en met angst.

 

OS: Om duidelijk te maken wat hier precies gebeurt, moeten we even een uitstapje maken naar de fysiologie. Ons zenuwstelsel is opgebouwd uit een willekeurig (vb een spier aanspannen) en een onwillekeurig gedeelte (groter kleiner worden pupil, sneller of langzamer laten kloppen van je hart, zweten) . Dit onwillekeurig gedeelte kan je weer indelen in een parasympatische en een sympathische deel. Het parasympatische zorgt voor herstel van het lichaam (denk aan het uitbuiken na een zware maaltijd), en sympathische zenuwstelsel zorgt voor de reacties die bij het vechten, angst en vluchten horen (verhoogd hartritme, zweten, bloed in de spieren van armen en benen, open zetten pupillen etc).

 

Op zich niets bijzonders, ware het niet, dat die Amygdala een leercapaciteit heeft. Het leert ons dus waar we bang voor moeten zijn. En dit leren gaat over langere tijd. Het nadeel van dit leren is, dat er een aan/uit knop op de amygdala zit. Wat we eens geleerd hebben in de loop der tijd, zal dus “ontleert” moeten worden in de loop der tijd.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Muurtje = muurtje van ontkenning,

 

Dat muurtje stelt onze afweer voor (= ontkenning). De afweer die nodig was toen we een klein kind waren. Hierop is een overtuiging geplaatst. Deze overtuigingen kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën(Met dank aan Ingeborg Bosch: “De herontdekking van het ware zelf”):

 

1.    Valse Hoop: ik kan krijgen wat ik nodig heb, als ik maar ………

2.    Valse Macht: ik heb geen probleem. Jij deugt gewoon niet……

2aValse Macht> ontkenning van behoeftes

2bValse macht> woede

3.    Primaire afweer: ik deug niet, het is allemaal mijn schuld, ik kan het niet, ik ben slecht. (Iets wat bij verlegenheid voorkomt?)

 

 

6

 

Invloed van vader en moeder

 

 

 

 

 

Van geboorte tot het nu: allerlei invloeden

 

We zijn in de baarmoeder afhankelijk van onze moeder. Echter na de bevalling, na onze geboorte ook nog. Een baby kan zich nog in het geheel niet redden en is geheel gericht op de moeder en in een later stadium op de vader. Alles wat zij doen is heilig, is waar. De ouders worden gezien als goden. Als de vader of moeder ons dus een bepaald gevoel geven, dan is dat de wereld en is dat dus waar. We hebben papa en mama nodig, ze voeden ons en ze beschermen ons, ze geven warmte en zekerheid en laten ons voelen dat we OK zijn. Kortom, we richten ons geheel op papa en mama en onze wereld is op dat moment niet groter. Wat zij doen is dus de wereld.

 

Nu leren onze ouders ons de gebruikelijke regels van het leven. Wat wel mag en wat niet mag en hoe de wereld er uit ziet. Dit zijn opvoedkundige lessen die we leren in ons leven of gewoon opdrachten die onze ouders ons geven: “Je moet zoet zijn”, “Je mag niet stout zijn”, “Wees mijn prinsesje”, “Werk hard”, Word de beste van de klas”, “Liegen is slecht”, “Hang de vuile was niet buiten” etc. We leren tijdens het eten geen boer te laten of slecht eten over onze schouder weg te gooien etc. Allemaal zaken die ons functioneren in de maatschappij gemakkelijker maken. Samengevat kunnen deze boodschappen inhouden: “Wees perfect”, “Wees sterk”, “Doe je best”, Doe (de ander) een plezier”, “Schiet op”. Bij al deze boodschappen voelt het kind de drang om deze bevelen/boodschappen op te volgen. Hij kan OK blijven zolang hij deze boodschappen op gaat volgen.  Het kan ook positief: we steken geen hand in het vuur of lopen op de snelweg.

Als we hieraan gehoor geven pleasen we dus onze ouders. We noemen dit de Ouder energie.

 

Zo krijgen we ook boodschappen van onze ouders die beginnen met de zin: “Zo moet je dat en dat doen”. Pure leerstukken. Voorbeelden als”….tot tien tellen”, “….je naam schrijven”, “……pap maken”, “….je veters strikken”, “….een computer bedienen” etc. Er is dus een voorbeeldfunctie van de ouder.  Meestal hebben deze boodschappen een positieve tendens. Echter het kan ook negatief zijn. VB. Als een vader heeft geleerd dat hard werken hem wat op heeft geleverd, dan zal zijn boodschap zijn: “Zo moet je hard werken> zo moet je jezelf overbelasten> ze moet je dood gaan aan een hartinfarct”. Of: “Zo moet je gevoelens onderdrukken”> “zo moet je gedeprimeerd aan je einde komen”. We noemen dit een volwassen boodschap.

 

De derde laag van waaruit boodschappen ontstaan zijn is de Kindlaag. Veel voorkomende boodschappen zijn: “Besta niet”, “Wees niet belangrijk”, “Wees niet jezelf”, “Hoor er niet bij”, “Wees geen kind”, “Kom niet dichtbij”, “Groei niet op”, “Wees niet gezond”, “Slaag niet”, “Denk niet”, “Doe niets”, “Voel niet” etc.

 

Om hier een tweetal voorbeelden uit te halen:

1.    als een ouder uit eigen onmacht regelmatig tegen een kind zegt van “Jij bent waardeloos, je bent een nietsnut, ik hou niet van jou, rot op” dan zal het kind als overlevingsmechanisme de opdracht horen: “Besta niet”. Het herkend niet de onmacht van de ouder, het ziet de ouder als goden en zal de opdracht feilloos uitvoeren. De amygdala slaat die reactie op en die persoon zal zijn/haar verdere leven dit met zich me dragen.

2.    Als een ouder zijn/haar kind niet ziet/hoort, als die ouder niet laat merken dat het kind belangrijk voor hen is, dan is de kans groot dat de persoon de boodschap meekrijgt: “wees niet belangrijk”. Mensen die deze boodschap met zich meedragen raken in paniek als hun gevraagd wordt een of andere leidende rol te vervullen. Het kan zijn dat ze dichtklappen wanneer ze in het openbaar moeten spreken.

We noemen dit een kindboodschap.

 

Deze drie boodschappen kunnen onderling uitmaken wat we in ons gedrag naar voren brengen.

Van belang is ons te realiseren en te leren, in welk deel we zitten in welke situaties. Zitten we in het ouders deel, in ons volwassen deel of in ons kindsdeel en welke reacties hebben we ons aangeleerd om ons hierin te laten overleven? Welk controlemechanisme hanteren wij om hierin te kunnen blijven functioneren. Als we ons hiervan bewust worden, kunnen we een stap zetten naar loskomen van deze patronen en ons hieruit bevrijden.

 

We luisteren dus feilloos naar onze ouders:

Een bekend voorbeeld is het verhaal van twee broers, die nogal druk bezig waren in huis. De moeder zei: “Doe eens rustig aan, jullie komen nog in een inrichting te zitten”. De broers waren toen rond de 5 jaar. 25 jaar later was de één opgenomen in een inrichting en de andere was er werkzaam als psychiater. Ze hebben dus precies geluisterd naar de moeder.

Pas als we ouder worden, leren we dat er ook andere waarheden bestaan, we maken contact met de buitenwereld ( op school, spelen met vriendjes, het leren kennen van andere papa’s en mama’s  etc.)  en worden we kritischer in de richting van onze ouders. En zelfs tijdens de puberteitsjaren, kunnen we ons geheel afzetten tegen onze ouders, dit om onze eigen identiteit te bepalen. Leren wie we nu in feite zijn.

 

7.

 

Ik ben OK, jij bent OK

 

 

Vanuit onze opvoeding, hebben we dus gezien, dat er een gevoel van OK of niet OK kan ontstaan naar jezelf, maar ook naar de andere toe. Deze kunnen ontstaan zijn door interne beslissingen (als rechtstreekse reactie op onze opvoeding) die we gemaakt hebben als reactie op onze opvoeding, echter ook door externe beslissingen:

 

1.    Onze erfelijke factoren die we van onze ouders mee krijgen. Een klein iemand zal anders in het leven staan dan iemand van bovengemiddelde lengte. Een intelligent iemand zal anders reageren dan iemand met een beneden gemiddelde IQ. Ben ik stijf en onhandig, dan zal ik zelden of nooit een groot gymnasiast worden etc. Ook is onlangs gebleken, dat iemand met een kleine amygdala minder sociale contacten heeft en daar meer moeite mee heeft dan iemand met een grote amygdala.

2.    Allerlei externe gebeurtenissen die er in ons leven plaats hebben gevonden. Een verkeersongeluk die ons een dwarslaesie bezorgt, kan ervoor zorgen dat onze oorspronkelijke plannen in het water vallen. We zullen onze toekomst dan moeten herzien. Ook natuurrampen kunnen zo een wissel trekken op onze toekomstplannen. Het zijn allemaal zaken waar we zelf geen invloed op kunnen uitoefenen. Het overkomt ons als het ware, maar heeft wel invloed op onze verdere levensloop.

3.    Beslissingen die we zelf nemen op grond van hoe we denken en als feedback op onze eerdere reacties. Dit kan een volwassen beslissing zijn, omdat we tot het inzicht komen, dat het kinderlijk denken ons niet datgene heeft opgeleverd, wat we aanvankelijk hoopten. We besluiten dan zelf (autonoom) dat er iets moet gaan veranderen. Hier is geen therapie voor nodig, alhoewel therapie dit soms wel in gang kan zetten. We zitten dan meer in het “hier en nu” te leven, dan in het verleden (kinderjaren).

 

Als we de zienswijze op onszelf en de wereld nu met elkaar gaan combineren, ontstaat er een kwadrant met 4 mogelijkheden. Elk van die 4 mogelijkheden heeft zijn eigenaardigheden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kwadrant OK en niet OK

 

Al deze vier factoren van Ok of niet OK, kunnen ons een overtuiging laten vormen over hoe we zelf zijn en hoe anderen zijn.

Eric Berne (Transactionele Analyse)  maakt onderscheid in vier denkbeelden:

1.    Ik ben OK

2.    Ik ben niet OK

3.    Jij bent OK

4.    Jij bent niet OK

 

 

 

1.    Ik ben OK, jij bent OK.  Hieruit komt een samenwerkingsverband naar voren. Er is een vertrouwen tussen jou en je partner en er is een behalen van een gezamenlijk doel mogelijk. Dit op basis van gelijkwaardigheid. Eric Berne noemde dit een gezonde verhouding, de beide partijen gaan er samen tegenaan om een doel te bereiken.

 

2.    Ik ben OK, jij bent niet OK. Om een bepaald doel te bereiken is er vertrouwen nodig van twee partijen. Echter in deze situatie vertrouw ik de andere niet. Die andere is maar lastig en men kan het gevoel hebben van: ”Hoepel maar op, ik kan het alleen toch veel beter en sneller”. Als die andere blijft aandringen, kan dit tot irritatie en lichamelijke verschijnselen leiden als rood aanlopen, hartkloppingen, druk in de maagstreek, ongemakkelijk voelen etc. Men kan kortaf gaan reageren, zeggen dat er geen tijd is. (Immers, men moet het allemaal alleen doen en de deadline kan al over een paar uur zijn).

 

Deze hier beschreven reactie is gevormd door het Kind in die persoon, die door de tijdsdruk in paniek is geraakt. De mensen die in deze groep zitten hebben een wat paranoïde gedrag. Ze zijn wantrouwend en geloven dat zij alleen het probleem kunnen oplossen. Zij vinden de interventie van andere mensen lastig en willen ze het liefst kwijt geraken. Ze staan vaak letterlijk alleen in het leven. Ook zien we vaak dat ze slecht zaken uit handen kunnen geven en blijven controleren. Hier is dus een Innerlijk Kind actief die wantrouwig is, met als compensatiemechanisme: dominant gedrag vanuit de Valse Macht.

 

3.    Ik ben niet OK, jij bent OK. Deze mensen maken zichzelf klein. Ze kunnen in een soort slachtofferrol gaan zitten. “De andere maakt me gek”, of “Ik kan niet tegen die andere op”, “Ik kan het niet verdragen, ik moet hier weg”, “Ik doe er niet toe”, zijn zinnetjes die mensen dan vaak kunnen denken. Ze halen zichzelf naar beneden. Kunnen soms erg verlegen zijn en zien op tegen de andere. Minderwaardigheidsgevoelens kunnen naar boven komen, waardoor een goed contact niet meer mogelijk is. En mochten ze dan al eens de schijnwerpers op zich gezet krijgen, maken ze zich in hun eigen woorden weer klein: “Het zal wel niet goed zijn wat ik zeg, maar zou het zo kunnen zijn dat…..”. Ook hier zijn er lichamelijke verschijnselen als druk in de maagstreek, gespannen buikspieren, zweten en roodheid, klachten van het keelgebied, om zo maar een paar te noemen. Vluchtgedrag zien we ook vaak bij deze groep mensen. Men onttrekt zich aan datgene wat hen in die gemoedstoestand brengt. In sommige gevallen kan dit zelfs leiden tot depressiviteit.

 

4.    Ik ben niet OK, jij bent  niet OK. Meestal is dit een situatie, waarbij de oorzaak van het ophalen van dit gevoel buiten de beide personen ligt. Bijvoorbeeld: de waterkraan lekt thuis en je wordt gebeld op je kantoor door je partner. Reacties als ” Ik kan er nu ook niets aan doen, je red je er maar mee” horen tot deze categorie van denken. In de persoon is een stemmetje die zegt: “Ik heb er helemaal genoeg van. Hier kan ik niet meer tegen, ik moet het ook allemaal alleen doen, maar ik kan het nu niet (het lukt me nu niet) en aan mijn partner heb ik ook al niets. Het is hopeloos”. Zuchten hoort vaak bij dit soort reacties, men voelt zich soms moedeloos, leeggezogen en gedeprimeerd. Ook hier is de slachtofferenergie soms sterk aanwezig.

 

 

8.

 

Leuk te weten, maar hoe nu verder? Over het denken en het voelen.

 

 

Even  een kleine samenvatting: we leren dus in de jonge jaren door voelen en ervaren. Pas als we de taal machtig zijn kunnen we leren door woorden. Hierbij speelt de amygdala een belangrijke rol. Er ontstaat een blauwdruk in onze hersenen van hoe de wereld in elkaar zit en hoe wij zelf zijn.

 

Als we onze hersenen bekijken, dan zien we dat die is opgebouwd uit een linker en een rechter gedeelte. In het centrum zitten  daarnaast nog allerlei structuren die voor regulering zorgen, waaronder de amygdala. De rechter hersenhelft is verbonden met de linker hand en de linker hersenhelft is verbonden met de rechter hand. Op zich niets revolutionairs, echter we maken hier gebruik van binnen  het werken met het Innerlijke Kind.

Bij rechtshandigen (en daar ga ik in het verhaal nu even vanuit), wordt het denken, de cognitie, het rationele leren, gedaan in de linker hersenhelft (logica, wiskunde, denken, analytisch vermogen, letterlijke vormgeving van hetgeen we ervaren). 

 

Daarentegen gaan de gevoelszaken en de creativiteit verwerkt worden in de rechter hersenhelft (non-verbaal, gevoelszaken, fantasie, muzikaliteit, seksuele gevoelens, dromen, spirituele zaken, emoties).

 

Binnen  het Innerlijke Kindwerk maken we hier gebruik van. We gaan dus weinig/ niet praten en leertherapieën doen, en daarentegen werken we veel met gevoel, creativiteit, dromen en de emoties die het oproepen, kortom met het ervaren.

 

Als we op deze manier “praten” met ons Innerlijke Kind, met onze gevoelslaag, dan kunnen we er achter komen wat we werkelijk nodig hebben. Als volwassene kan je dan bezien hoe je hiervoor wilt/kan zorgen. Als je Innerlijke Kind bijvoorbeeld vastgehouden wilt worden, of een aai over zijn bol wil hebben, kan de volwassene dit bewerkstelligen door te vragen aan iemand in zijn omgeving. Die iemand kan een partner zijn, of en vriend/vriendin of zelf de therapeut. Op die manier “leert” die persoon dat het er ook voor hem is en wordt een stukje uit het verleden opgeruimd.

Onze ervaring is, dat het gevoel hierdoor ook anders wordt met de daaraan gekoppelde overtuigingen.

 

Hoe doen we dat?

Stel we krijgen Jaap met een hulpvraag.  We vragen aan Jaap een levensverhaal te schrijven. Het liefst zo uitgebreid mogelijk. Dit bespaart tijd tijdens de eerste sessie. Tijdens de eerste sessie brengen we Jaap in contact met zijn Innerlijke Kind. Dit kan bijvoorbeeld door een geleide meditatie. Deze ontmoeting met zijn Innerlijke Kind kan soms erg emotioneel zijn.

Jaap beschrijft zijn jeugd:

-         JAAP WORDT GEBOREN

-         ZIJN OUDERS HEBBEN EEN DRUKKE BAAN, JAAP HEEFT VOLDOENDE SPEELGOED ETC. MAAR ZIT DE GEHELE DAG IN DE BOX. ZO AF EN TOE KRIJGT HIJ ETEN EN DRINKEN EN EEN SCHONE LUIER……………………KORTOM, JAAP KRIJGT HET GEVOEL: “IK KRIJG AANDACHT TEKORT VAN MIJN OUDERS, MAAR DAT LIGT NIET AAN MIJN OUDERS, NEE HOOR, IK BEN NIET OK, DUS IK ZAL ME ANDERS MOETEN GEDRAGEN, IK ZAL ME AAN MOETEN PASSEN. ALS IK NU MAAR HEEL LIEF EN STIL BEN EN ZOET GAAT SPELEN, DAN KRIJG IK MISSCHIEN DIE KNUFFEL OF AAI OVER MIJN BOLLETJE WELKE IK ZO HARD NODIG HEB”  Jaap moet wel zo denken, immers, als hij dacht: Mijn ouders doen het niet goed, het ligt aan hen”, dan was de veiligheid voor Jaap niet gegarandeerd en was de omgeving waarin hij opgroeide bedreigend en niet veilig meer.

-         INNERLIJKE OVERTUIGING JAAP: Ik ben niet Ok, de andere is wel OK.

-         ALS HIJ VOLWASSEN IS, ZIT DIT STUK NOG STEEDS IN HEM. HIJ DURFT NIET VOOR ZIJN MENING UIT TE KOMEN (immers, hij was niet OK) EN ANDERE MENSEN MAKEN MISBRUIK VAN HEM.

-         JAAP BESLUIT TOT THERAPIE: PSYCHOLOGIE, PRAATTHERAPIE (rechter hersenhelft).Soms werkt het. Soms ook niet, dan zit Jaap dus achter zijn muurtje van afweer. Jaap is zich ook absoluut niet bewust van het falen van zijn ouders in de taak van opvoeders. Het is dan ook maar de vraag dat hij dit “weet”. En vaak is er een “weten “nodig om uit dit patroon te komen.

 

Het blijkt dat Jaap net zo omgaat met zijn Innerlijke Kind, als dat zijn ouders met hem zijn omgegaan: het mag er niet zijn.

 

-         INNERLIJKE KIND THERAPIE: JAAP KOMT IN CONTACT MET ZIJN INNERLIJKE KIND, DIE 2 JAAR BLIJKT TE ZIJN. HET “WEERZIEN” IS EEN ERG EMOTIONEEL MOMENT. OM TE COMMUNICEREN MET DIT KINDDEEL IN HEM BIEDT DE THERAPEUT HEM AAN MET LINKER EN RECHTER HAND TE COMMUNICEREN (tekenen, schrijven etc). JAAP LEERT ZIJN INNERLIJKE KIND EN DE BEHOEFTES VAN DIT INNERLIJKE KIND KENNEN. Jaap’s Innerlijke Kind wil gezien en gehoord worden door Jaap als volwassene. Het wil in het zand kastelen bouwen en het wil wegkruipen bij zijn mama. Het wil horen dat hij OK is. Deze behoeftes worden door Jaap ingevuld, doordat zijn volwassene ernaar kan vragen.

-         SOMS KOMT ER EEN CRITICUS NAAR BOVEN, EEN STUK DIE ZEGT: “DAT KAN NIET, DAT MAG NIET, WAT ZULLEN DE BUREN ER WEL NIET VAN ZEGGEN” ETC. HET IS ZAAK DEZE CRITICUS TE ONTMASKEREN. VAAK IS DIT DE OUDER, DIE DIT SOORT ZINNETJES IN HET HOOFDJE VAN JAAP HEEFT GEPRINT. HET WAS DAN OOK DE ANGTS VAN DE OUDER (HET INNERLIJKE KIND VAN DE OUDER? ), DIE HIER AAN HET WOORD IS.

-         INTEGREREN VAN HETGEEN NAAR BOVEN KOMT IN DAGELIJKS LEVEN. Liefdevolle ouder die Jaap mistte, wordt hij nu zelf voor zijn eigen Innerlijke Kind. Jaap heeft geleerd naar zijn Innerlijke Kind/zijn diepe gevoelens te kuisteren en daar als volwassene op een volwassen manier mee om te gaan. Er vind heling plaats.

 

 

9.

 

 

PAUZE met mogelijkheid voor indienen schriftelijke vragen

 

Beantwoorden schriftelijke vragen.

 

Mogelijkheden in toekomst

 

Afsluiten 16.30 uur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


© 2018 Het innerlijke kind - realisatie: BMT Media